Het suebenvolk

 

Spaanse verhalen De Sueben (het volk) spaanseverhalen.com

De Sueben waren een grote groep  West-Germaanse volkeren die rond het begin van de jaartelling in een gebied leefde dat we voorheen Oost- Duitsland noemde en het huidige Tsjechië. De Sueben hadden de militair macht om andere stammen aan zich te binden als vazalstammen die schatplichtig aan hen waren. Zo waren waarschijnlijk de Quaden, de Marcomannen, Alamannen, Hermunduren, Longobarden en de Semnonen aan deze Sueben schatplichtig. Een gebied dat door de Romeinen, Germania Magna (Groot Germania) werd genoemd.

Romeinse legionair in gevechtshouding die op het punt staat een Daciatische krijger te verwonden met zijn typische gebogen zwaard. Achter hem ligt een krijger met de typische Suebische knoop in zijn haar, die op de grond ligt.

Julius Caesar vernoemd ze in zijn De Bello Gallico, waarin hij verslag doet van de Gallische Oorlog. Zoals elke Romeinse generaal schreef ook Julius Caesar in opdracht van de senaat ambtelijke verslagen over zijn talrijke veldtochten. Volgens Caesar leefde er aan de oostelijke zijde (hij schreef over de rechterzijde, gezien vanuit Rome) van de Rijn, Sueben die zich regelmatig mengde in het conflict aan de Gallische zijde van de Rijn. Hij schreef over zijn campagne tegen Suebische militaire leider (men is er niet zeker van of hij ook tot de Germaanse adel behoorde) Ariovisto in 58 v. Chr. waaraan volgens Tacitus ook de Semnonen en de Longobarden deelnamen.

Later trokken de Sueben meer oostwaarts naar Centraal-Europa. Volgens sommigen is de naam voor Zweden van hun naam afgeleid, wat zou betekenen dat toch ook een deel van stam meer noordwaarts is getrokken.

Echter, in de 4e eeuw, tijdens de Grote Volksverhuizing werden de Sueben door de Hunnen verdreven en staken ze wederom de Rijn over, om deze keer al plunderend door Gallië te trekken en zich richting het zuiden te begeven. Klassieke auteurs schrijven ook dat het Suebenvolk, in vergelijking tot andere Germaanse stammen, zeer mobiel was en niet afhankelijk was van landbouw. Dit was natuurlijk een groot voordeel tijdens deze volksverhuizing.

Ze trokken de Pyreneeën over en kwamen op deze manier het toen welvarende Romeinse Hispania binnen. Daar stichtte ze in 409, onder het bewind van koning Hermeric (411 †) een eigen rijk dat de eerdere Romeinse provincie Gallaecia (nu Galicia, Asturias, de provincie Leon en het noordelijke deel van Portugal) bevatte.

In het begin van de 5e eeuw zal de bevolking ongeveer een twintig tot vijfentwintig duizend mensen geteld hebben, waarvan zo’n zes á zevenduizend krijgers waren toen ze de Rijn overstaken, en toen ze hun eigen koninkrijk in Galicia stichten zullen het er misschien dertig of veertigduizend geweest zijn.

 

Wat u verder nog wilt weten:

 

De migratie van de Sueben


Romeins bronzen beeldje, een Suebische krijger voorstellend, gevonden in Apt, Frankrijk.

In hun migratie gingen de Sueben naar het zuiden en westen en verbleven een tijdje op het grondgebied van het huidige Duitsland. Er is nog steeds een Duitse regio die Zwaben heet (Schwaben, waarvan de inwoners in het huidige Spaans suabos genoemd worden) en die overeenkomt met een deel van het voormalige koninkrijk Württemberg, in de moderne deelstaat Baden-Württemberg, en het zuidwestelijke deel van Beieren, met steden als Stuttgart, Ulm, Tübingen en Augsburg. Ook in Galicia zijn er twee parochies met Suebische namen, in de regio’s La Coruña en La Barcala, en tot vier andere kleine steden met die naam. Daarnaast is er in Asturias ook nog de Sierra del Sueve. In die tijd scheidden verschillende stammen zich van de centrale groep van de Sueben af, om zo de groep van Alemannen te vormen, vanwaar de naam Alemania, via het Frans (L’allemagne), tot de Castiliaanse (Spaanse) taal werd toegevoegd.

 

Hun intrede in Hispania, onderdeel van het Romeinse Rijk

Onder leiding van hun koning Hermerico staken zij in december 406 en in gezelschap van andere Germaanse volkeren bij Mainz de bevroren Rijn over en kwamen zo in het West-Romeinse Rijk terecht. Twee jaar lang trokken ze plunderend door in Gallië. In 409 drongen ze samen met Vandalen en Alanen door in Hispania, waarbij ze de westelijke Pyreneeën overstaken. Deze volkeren verwoestten het noorden van het schiereiland, totdat Sueven en Silingo Vandalen zich in 411 in de provincie Gallaecia vestigden, een pact (foederati) ondertekenden met de keizer Honorius waardoor het grondgebied als regnum (koninkrijk) een federatie van Rome werd en de Sueven het Romeinse staatsburgerschap verwierven en Romeinen werden (door het Edict van Caracalla), en hun politieke centrum vestigden in Bracara Augusta (nu Braga, in Portugal). Al snel ontstonden er meningsverschillen met de Asdingo Vandalen, die naar Bética gingen en later overstaken naar Romeins Afrika. Door hun kleine aantallen leefden de Sueben in groepen.

 

Het Suebenrijk


De lijn van Suebische koningen loopt van Hermericus tot Andeca, die in 585 door de Visigotische koning Leovigildo werd afgezet en in een klooster werd opgesloten. In zijn Historia Sueborum vermeldt Isidoro de Sevilla dat het Regnum Sueborum precies 177 jaar heeft geduurd, waarschijnlijk een telfout (omdat de Sueben niet in 408 maar in 409 het Iberisch Schiereiland zijn binnengedrongen).

De belangrijkste bronnen voor deze periode, of althans voor een groot deel ervan, zijn de werken van Isidoro de Sevilla en die van twee kroniekschrijvers die getuige zijn geweest van de gebeurtenissen waarover ze vertellen: Hidacio, bisschop van Chaves (Portugal) geboren in de buurt van de huidige Xinzo de Limia (Ourense), en Paulo Orosio, geboren in Braga.

 

Eerste stadium (tot 469)

Het territoriale gebied van het Suebi-koninkrijk varieerden nogal in de loop van de tijd. Aanvankelijk zou het grootste deel van de Suebische volk zich tussen de monding van de Duero en de brede monding van de Vigo hebben gevestigd. Nadat de Visigoten het schiereiland in 418 verlieten, stonden de Vandalen tegenover de Sueben, waarbij de Vandalen werden verslagen in de slag om het Nervasos-gebergte, en alleen de tussenkomst van de Romeinen hen redde van een ramp. De Vandalen verlaten later het schiereiland om zich in Afrika te vestigen en laten de Sueben achter als het enige Barbaarse volk in Hispania. De Sueben koning Requila begon aan een fase van expansie en slaagde erin het hele schiereiland onder zijn controle te krijgen, op de Tarraconnense provincie na, die bleef in handen van de Romeinen. Hij verplaatste zijn hoofdstad van Braga naar de Lusitaanse hoofdstad Merida en versloeg in 446 Vito, een Romeinse generaal die probeerde, met hulp van de Visigoten, de expansie van de Sueben te stoppen, maar verslagen werd. In 453 tekende Requiario, zijn opvolger, vrede met de Romeinen en overhandigde de provincie Cartaginense aan hen, maar in 456 besloot hij toch weer een offensief in te zetten en Cartaginense binnen te vallen. Dit lokt de tussenkomst van de Visigoten uit, die de Sueven verslaan in de slag bij de Órbigo-rivier (456, nabij het huidige Astorga). De Visigoten achtervolgden de voortvluchtigen naar Braga, plunderde de stad, en executeren Requiario, die ze gevangen hadden genomen. Ze lieten Agiulfo achter als koning, die veel machtsmisbruik toepaste en een burgeroorlog veroorzaakte die een periode van chaos in het koninkrijk zou veroorzaken. Dit voorkwam een ​​verdere uitbreiding van het Suebische koninkrijk, dat zich vanaf dat moment zou beperken tot het noordwesten van het Iberisch schiereiland.

De kathedraal van Astorga. In het midden van de 5e eeuw bracht bisschop Santo Toribio van het bisdom Astorga, vocht tegen de Priscilliaanse ketterij en herstelde, de door de Visigotische Theodorik II, verwoeste tempels.

In de jaren die volgden vond er een strijd plaats tussen verschillende troonpretendenten, waarbij de Visigoten zich actief in deze aangelegenheden mengden. Remismundo slaagde erin het koninkrijk te verenigen en tijdens zijn bewind bekeerde de Sueben zich tot het arianisme, een geloof dat veelal door de Visigoten beleden werd.

 

De donkere periode (469 – 558)

De periode tussen 469 en 558 is een grote historische kloof door de schaarste aan bronnen. Alleen de naam van koning Theodemundo is opgenomen.

 

Laatste stadium (558 – 585)

In het midden van de 6e eeuw zien we Sueben opnieuw in de geschiedenis opduiken. Rond deze tijd introduceerde koning Charriarico of Karriarico (ca. 550-559) het katholicisme, volgens de getuigenis van Gregorio de Tours, waarmee hij zich beroept op San Martín de Tours, dankzij wiens voorspraak een zoon van de koning zou zijn genezen van een ernstige ziekte, waarna enkele relikwieën van de heilige naar het Sueben koninkrijk werden gebracht. De vervanging van het arianisme door het katholicisme heeft misschien tot gespannen situaties geleid, maar daar zijn geen bronnen over bekend. Isidoro noemt Theodomiro (559-570) als eerste katholieke koning.

Evenzo vestigden zich aan het einde van de 5e en het begin van de 6e eeuw contingenten van de Keltische bevolking die afkomstig waren uit Groot-Brittannië en op de vlucht waren voor de Angelsaksische invasies, op de kust van Lugo, ongeveer tussen de rivier de Eo en het estuarium van Ferrol. Deze bevolking was georganiseerd rond een bisdom in Bretagne (een plaats die deskundigen meestal identificeren met de huidige parochie van Santa Maria de Bretoña, gelegen in de gemeente Pastoriza, Lugo). De relatie in zake met die van het koninkrijk blijkt uit de deelname van de bisschop Mailoc (bisschop van Britonia (West-Engeland)) aan de concilies van Braga in de jaren 561 en 572.

In de tijd van Charriarico lijkt er een andere Martin, San Martín Dumiense of van Braga, te hebben gepredikt in het Sueben koninkrijk (c. 520-580), toen aartsbisschop van Braga, die naar verluidt veel Ariaanse Sueben (misschien dat Gregorius de Tours met beide heiligen wordt verward) heeft bekeerd en dat hij een grote invloed had op Teodomiro, waarvan hij in het begin (rond 560), toen het katholicisme al was geconsolideerd, verschillende kloosters in het koninkrijk heeft opgericht, waaronder dat van Dumium bij Braga, waarvan hij de abt was totdat de bisschoppen van het koninkrijk hem in 567 tot (grootstedelijke) bisschop van Braga uitriepen.

Middeleeuwse miniatuur die Martinus Braccarensis met Miro voorstelt, koning van Galicia. Te vinden in het boek Martinus’, getiteld “De virtutibus quattuor (f 109V-115v.)”. Het bevindt zich momenteel in de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek. Jaar 1145.

In het jaar 575 drong Leovigildo, koning van de Visigoten, de bergen van de huidige provincie Orense binnen, die eigenlijk onder de controle van de koning van de Sueben hadden moeten staan. Een gebied dat lag tussen de huidige gebieden van León – waar de Visigoten hun macht voor 573 nog niet hadden gevestigd (en die na 457 onafhankelijk hadden moeten zijn) – en het land van de Sueben. Een gebied  waar lokale heerlijkheden met een onzekere band waren ontstaan, iets dat waarschijnlijk na 457 begonnen was, een periode waarin het Suebische koninkrijk ernstig verzwakte, en zich daarna consolideerde totdat het een effectieve onafhankelijkheid bereikte. Het Suebische koninkrijk had zelfs op de zwakste momenten van de Visigoten niet geprobeerd om ze te bestrijden,  zelfs niet in de periode van Atanagildo, toen andere, ogenschijnlijk minder machtige rivalen hem wel durfden uit te dagen. En zo blijkt ook dat zij op geen enkel moment geprobeerd zouden hebben om de Asturisch-Leonese regio’s, die vroeger aan hen toebehoorden en later zichzelf moesten bedruipen, te onderwerpen. Noch dat van Cantabria, waar de Basken in plaats van hen zijn binnengedrongen. In dit gebied nam Leovigildo een plaatselijke heer (loci senior), genaamd Aspidius, gevangen, samen met zijn vrouw en kinderen, en nam hij bezit van zijn domeinen. Aspidius regeerde blijkbaar over een volk dat bekend stond als Araucones of Aregenses, die hun naam gaven aan de bergen in het gebied.

Wapen van de stad Coimbra in de 15e eeuw. Volgens een lokale legende toegeschreven aan Bernardo de Brito, zou de heraldische draak het embleem van de Subische koning Hermeric vertegenwoordigen, terwijl de leeuw die van koning Ataces van Alanos zou zijn. Deze symbolen werden door de commissie van de kathedraal van Lugo in overweging genomen, volgens een document dat op 15 februari 1669 aan het bestuur van het Koninkrijk werd voorgelegd en dat in 1927 door de historicus Pablo Pérez Costanti werd samengesteld in zijn werk “Notas Viejas Galicianas”, gepubliceerd door de Xunta de Galicia, tijdens het debat over de symbolen van het Koninkrijk Galicia.

Het is niet bekend of hierdoor in 576 een oorlog met de Sueben  begonnen is, of dat de verovering van de heerschappij van Aspidius al de eerste episode van datgene was, waarna Leovigildo zijn progressie zou voortzetten. De Suebenkoning Miro (570-583, katholiek) verzocht om vrede, waarschijnlijk gebaseerd op een erkenning van de Visigotische macht in het domein van Aspidius, en misschien ook in andere gebieden. Leovigildo stemde hiermee in. De koning werd beïnvloed door het nieuws van de opstand van de boeren uit het westen van Oróspeda Occidental (Sierra Morena). De vrede werd getekend in 577, waarschijnlijk met de toezegging dat het Suebische koninkrijk voortaan een vazalstaat van de Visigotische koninkrijk.

Een paar jaar later marcheert de Sueben koning Miro met zijn leger naar Visigoth-gebied om, volgens sommige auteurs, de rebel Hermenegildo te helpen tegen zijn vader Leovigildo. Ze waren omsingeld en Miro moest zich overgeven en trouw zweren aan de Visigotische koning… Volgens andere auteurs kwam Miro met zijn troepen en nam hij deel aan de operaties samen met zijn opperheer Leovigildo en droeg bij aan de verovering van Sevilla. Juan de Biclaro (Visigotisch katholieke kroniekschrijver) verzekert dat Miro, Sevilla mocht binnenkomen, waar hij kort daarna stierf (583), maar Gregorio de Tours (bisschop van Tours en historicus) bevestigt dat hij zich terugtrok in zijn domein in Gallaecia, waar hij dat jaar stierf. Voor Isidoro de Sevilla (Aartsbisschop van Sevilla, geleerde), in zijn Geschiedenis van de Sueben, en voor Juan de Biclaro, kwam Miro Leovigildo te hulp; Aangenomen kan worden dat zijn leger vanaf het begin, of eenmaal verslagen, moest deelnemen aan de belegeringen van Sevilla. Als Miro deelnam aan het beleg van Sevilla naast Leovigildo, zou hij de stad binnenkomen in 583 en kort daarna sterven, hoewel de versie van Gregorio de Tours aangeeft dat hij zich terugtrok op zijn domein (misschien was hij al ziek), en dat hij met een deel van zijn leger uit Sevilla vertrok, stervend bij aankomst, hetzelfde jaar 582. Als hij, zoals Gregorio de Tours zegt, Hermenegildo hielp, zou hij verslagen worden, Sevilla kunnen binnengaan (door een tegemoetkoming van de koning) waar hij stierf in 582 of in 583 (voor of na de inname van de stad door de koning) of hij kon zich in datzelfde jaar 582 terugtrekken in zijn domein, sterven in 582, of in 583 na de verovering van Sevilla. Dit laatste komt zeer onduidelijk over, dat komt doordat Biclaro en Isidoro de Sevilla zeggen dat hij Leovigildo steunde, en Gregorio juist het tegenovergestelde verklaard. Ik heb meerdere verhalen gelezen en maar weinig overeenkomsten gevonden. Het enige wat we zeker kunnen stellen is dat Miro zich mengde in een Visigotische geloofsopstand (katholicisme contra arianisme, Hermenegildo, zoon tegen vader, Leovigildo) en dat hij daar ziek uitkwam en kort daarna stierf.

Het Visigotisch koninkrijk in het jaar 560.

Vanaf 583 of 584 regeerde Eborico, de zoon van koning Miro die voor zijn dood bij verdrag trouw had gezworen aan Leovigildo, in het Suebische koninkrijk. Ook Eborico tekende, volgens Gregory of Tours, een vredesverdrag met Leovigildo, wat moet zijn gebeurd in 583. Rond 584 werd de Suebische koning onttroond door zijn zwager Andeca en opgesloten in een klooster. De nieuwe koning dwong de echtgenoot van Eborico, Sisegutia genaamd, met hem te trouwen. Of Andeca daarvoor gescheiden was of weduwnaar geworden was van Eborico’s zus is niet bekend. Maar Leovigildo gebruikte dit dynastieke conflict als excuus om opnieuw, in 585, in te grijpen in het Sueben koninkrijk. Hij viel het Suebische koninkrijk binnen, verwoestte het en nam Andeca gevangen, scheerde zijn kruin kaal (tonsuur, om de geestelijkheid binnen te gaan), wat hem diskwalificeerde om te regeren, en stuurde hem naar  een klooster in Pax Julia (Beja). Bovendien werden de schepen die de commerciële overtochten tussen het Suebische koninkrijk en de Frankische gebieden van Gontrán I van Bourgondië maakten, vernietigd. De koninklijke Sueben-schat viel in de handen van de overwinnaar en de gebieden van het Sueben koninkrijk werden Visigotisch bezit. Aangezien de Sueben zich tijdens het bewind van Theodomiro, de vader van Miro, tot het katholicisme hadden bekeerd, herstelde Leovigildo het arianisme. Men weet dat de ariaanse bisdommen in de Suebische gebieden (waarschijnlijk twaalf) werden hersteld, aangezien vier bisschoppen zich later tijdens het III Concilie van Toledo in 589 zich tot het katholicisme bekeerden; de ariaanse bisschoppen die door de Visigotische koning waren aangesteld, werkten samen met de katholieken.

Zodra de Visigotische koning het land verliet, kwamen de Sueben in opstand en riepen Malarico, een Suebische edelman uit tot koning. Maar de opstand werd door de achter gebleven Visigotische macht neergeslagen zonder tussenkomst van Leovigildo.

 

Suebische culturele pracht


De bronnen van de tijd zijn eensgezind over het herkennen van het hoog cultureel niveau aan het Suevo-Galaïsche koninkrijk, dat op verschillende gebieden werd bereikt, hoewel ze meer de nadruk leggen op de wijsheid en de literaire vaardigheid van San Martín Dumiense.

De literaire productiviteit van Martin Dumiense strekte zich uit tot het canonieke, liturgische en ascetische-geestelijk gebied. Bijna al zijn werken hebben een specifiek doel, de intense intellectuele activiteit laten zien die, met zijn centrum in Dume (en in Braga toen Martín de grootstedelijke waardigheid aannam), door Galicia in alle richtingen werd uitgestraald, vooral naar de bisschoppelijke zetels.

Verder is er niet veel meer bekend over de artistieke en culturele vitaliteit van het Galicia van de 6e eeuw en er is een desoriëntatie ten aanzien van de bouwactiviteit.

Het lijdt geen twijfel dat er tot op de dag van vandaag relatief veel kleine werken zijn overgebleven, waaronder de grafstenen van verschillende necropolissen (sommige net zo belangrijk als die van San Martiño de El Grove, en vooral die welke zijn ontdekt in de kelder van de kathedraal van Santiago de Compostela). Sarmiento identificeerde de zogenaamde “laudas de estola” al als behorend tot de Germaanse periode (tussen de 6e en 7e eeuw) en vandaag de dag handhaaft Schlunk ook het Suebische auteurschap, waarbij hij de grafsteen uit Tui met de inscriptie HIC REQUIESCAT MODESTA als een van de zeer weinige exemplaren met opschrift uit die tijd benadrukte. Dezelfde auteur noemt stukken zilverwerk (oorbellen, broches) die op verschillende plaatsen in het koninkrijk zijn gevonden en die hij beschrijft als Byzantijns, een bevestiging van een algemene tendens die in het koninkrijk in de 6e eeuw werd gehandhaafd, evenals van culturele contacten met het Middellandse-Zeegebied.

Kapel van de San Fructuosus de Montelius, 7e eeuw, Braga.

Het 2e concilie van Bracarense (bijeengeroepen door de Suebische koning Miro in 572) bevatte bepalingen voor de inwijding van bestaande kerken en de bouw van nieuwe. Daaruit volgt dat er al velen kerken bestonden (hetzij uit het laat-Romeinse Rijk, hetzij uit de bekering die in de 5e eeuw plaatsvond) en dat er gedurende de 6e eeuw intense bouw- en wederopbouwactiviteiten plaatsvonden, gedreven door een kerk die versterkt werd door de Suebische katholieke monarchie (in die tijd waren de Visigoten Arianen). Sommige kerken zijn bewaard gebleven, zoals de toekomstige kathedraal van Orense, uit 550, of het bisschoppelijk paleis van Iria Flavia, uit 572; de kerk van San Martiño de Churío (Irixoa, Betanzos), en de kerk van San Pedro de Rocas (Orense). Daarom zijn veel van de kerken die in het gebied van de oude Gallaecia als Visigotisch zijn gecatalogiseerd, misschien eerder Suebisch dan Visigotisch.

De kerk van Santa Comba de Bande is gecatalogiseerd als Visigotisch, gebaseerd op haar morfologische analyse, ervan uitgaande dat de hoefijzerboog uitsluitend kenmerkend is voor die cultuur. Uit deze catalogus is een groep constructies ontstaan: Santa Comba de Bande, São Pedro de Balsemão (Viseu), São Frutuoso de Montelios (Braga), San Pedro de la Nave (Zamora), maar de chronologische inconsistentie om ze in de 7e eeuw te plaatsen, is duidelijk. Een document van Celanova werd gebruikt om de oprichting van Santa Comba de Bande in het jaar 672 te dateren, en uit deze gegevens, die als solide worden beschouwd, worden de andere stilistisch gelijkaardige werken bevestigd, die een bepaalde datum op zich missen. Op deze manier wordt een vicieuze cirkel gecreëerd, en het Celanova-document staat een dergelijke chronologie niet toe.

Als dat zo is, zouden we kunnen vermoeden dat er in de Suebische, en niet in de Visigotische, periode stilistisch vergelijkbare werken zijn gemaakt, vooral die met meer gemeenschappelijke en specifieke kenmerken.

De veronderstelde Keltische motieven (die later in de Galicische romaanse periode werden doorgegeven) spreken van een inheemse schepping, maar de oosterse of Byzantijnse invloed wordt logischer in de context van de 6e eeuw, wanneer de contacten van het Suebische koninkrijk in die richting wijzen, en niet naar die van de Visigoten. Díaz y Díaz erkent dat deze contacten die door het Galicië van de zesde eeuw met het Oosten zijn gelegd, helpen om bepaalde details van de Galicische artistieke werken te verklaren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige auteurs de kerk van Montelios hebben gecatalogiseerd als Suevo-Byzantijns, volgens een typologisch criterium dat kan worden uitgebreid tot de andere.

Het meest kenmerkende structurele element van deze constructies is hun eigenaardige hoefijzerboog, die een embleem van de Visigotische kunst is geworden; de mogelijkheid dat de Suevi en de Visigoten dezelfde architectonische bron zouden hebben gedeeld wordt echter niet op prijs gesteld.

Het meest kenmerkende structurele element van deze constructies is hun eigenaardige hoefijzerboog, dat het embleem van de Visigotische kunst is geworden; de mogelijkheid dat de Sueben en de Visigoten dezelfde architectonische bron zouden hebben gedeeld wordt echter niet op prijs gesteld.

 

De bisdommen van het Suebische koninkrijk ten tijde van de annexatie door de Visigoten


Standbeeld van Martín de Braga in Braga, Portugal.

De metropolitane zetel was in de stad Bracara Augusta, met dertien bisdommen als suffragans:

Britonia: deze zetel werd voor het eerst vermeld in de notulen van de Concilie van Braga, gehouden in 561.

Lucus Augusti

Laniobrense: de basiliek van San Martín de Mondoñedo behoort tot de gemeente Foz (Lugo, Spanje). Het wordt beschouwd als de oudste kathedraal van Spanje, aangezien het in de 9e eeuw de zetel was van twee bisdommen, de ene overgebracht van Dumio, in Portugal, en de andere overgebracht van Bretoña, in Lugo.

Iria Flavia: Bisschoppelijke zetel van het Laat Romeinse Rijk samen met Sueben en Visigoten, tot Alfonso II het bisdom naar Santiago de Compostela verhuisde.

Tudae: waarvan de bisschopszetel sinds de 5e eeuw is gedocumenteerd, hoewel het volgens de traditie is gesticht door  San Pedro de Rates, een discipel van de Santiago Apóstol. Toen Leovigildo het koninkrijk Sueben overnam, werd bisschop Neufila vervolgd en afgezet door de koning, en de Ariaanse bisschop Gardingo op de zetel gezet.

Auriensis: in 433 werd in Lugo een bisschop van Orense ingewijd, hoewel in 572 er voor het eerst wordt geschreven over een deelnamen van de bisschop Witimiro aan het Concilie van Braga.

Asturica Augusta: het bisdom Astorga gaat terug tot 254. In het midden van de 5e eeuw bracht bisschop Santo Toribio, die vocht tegen de Priscilliaanse ketterij en, de door de Visigotische Theodorik II, verwoeste tempels herstelde. Hij nam het fragment van het Heilig Kruis mee uit Jeruzalem, dat momenteel wordt vereerd in het klooster van Santo Toribio in Liébana.

Dumiun: San Martín de Braga, ook bekend als Martín de Dumio of Martín Dumiense, was een Spaanse bisschop, theoloog en kerkelijk schrijver van Pannonische afkomst, genaamd de “Apostel van de Sueben“.

Portucale: afgesplitst van het bisdom Braga, nu het bisdom Porto.

Lamecum: in de stad Lamego.

Viseum: in de stad Viseo.

Conimbriga: in 468 vielen de Sueben de stad aan en vernielden een deel van de muur, en werd de zetel verplaatst naar Aeminium, nu Coimbra.

Egitania: (Civitas Igaeditanorum): overgebracht in 1199 naar Guarda.

 

Naar boven
Spaanse Verhalen. spaanseverhalen.com
Laatst bijgewerkt 2020-06-12

Bronvermeldingen

{{Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Pueblo suevo| oldid=126309446| datum=20200609}}
{{Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Batalla de los montes Nervasos| oldid=126309470| datum=20200610}}
{{Wikipedia|taal=nl|titel=Sueben|oldid=56407315| datum=20200609}}
{{Wikipedia|taal=nl|titel=Commentarii de bello Gallico|oldid=55411770| datum=20200609}}
{{Wikipedia|taal=nl|titel=Ariovistus|oldid=53060620| datum=20200610}}
{{Wikipedia|taal=nl|titel=Andeca|oldid=35895299| datum=20200610}}
{{Wikipedia|taal=nl|titel=Grote Volksverhuizing|oldid=56447590| datum=20200609}}
{{Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Vito (militar romano)| oldid=120205529| datum=20200610}}
{{Archeotoponymy|https://arqueotoponimia.blogspot.com/2018/03/la-diaconisa-modesta-in-tempore-sueborum.html| datum=20200611}}

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.