Alanen

De Alanen (Alanos)

0 – 1200
Spaanse Verhalen spaanseverhalen.com
Bij ons in Nederland en ik neem aan ook in België noemen ze dit volk de Alanen.
In Spanje, noemen ze dit volk Alanos (in Spanje wordt ook de naam alauni of halani gebruikt). De Alanen waren een  Indo-Europeaans nomadenvolk uit de buurt van het huidige Iran, gerelateerd aan de Sarmaten. Het was een zeer oorlogzuchtig nomadisch herdersvolk met verschillende belangen. Ze spraken de Iraanse taal en deelde op vele manieren dezelfde cultuur.

Wat u interesseert:

De lichtgroene paragraven zijn, voor wat Spanje betreft, eigenlijk niet zo belangrijk.

De Grote Volksverhuizing, de invasie van Europa.

Gegevens
Tijdspanne het jaar 0 – 1200
Taal Indo- Iraanse taal
Komend van Zuidoostelijk van de Kaspische Zee
Verdreven door De Hunnen

Benaming


Zowel de verschillende “Alano” vormen die bewaard zijn gebleven (αλανοί of αλανοί [alanoí of alannoí] in het Grieks, o-lan-na in het Chinees) als de vorm “Iron”, zijn Iraanse dialectvormen van het woord, Arisch. De oude Alanen bewoonden het gebied dat vermoedelijk de Ariërs of Indo-Iranen, de gemeenschappelijke voorouders van de Indo-Ariërs en de Iraniërs omvatte. Het woord “aryan” zelf is Sanskriet voor “nobel”. Het gebruik door deze volkeren van de term “Arische” “Iron” “Iraanse” enz. om zichzelf aan te duiden was gebruikelijk onder hen. De moderne nakomelingen van Alanos gebruiken de naam Ossetiërs voor zichzelf. De naam “Osseten” is ontleend aan de Georgische naam voor dat volk “Osi”, waar “Oseti” het “land van de Osi” betekende.

Alanos was door de geschiedenis heen ook bekend onder een andere groep namen, die de varianten “Así” “As” en “Os” (yasi in het Russisch, osi in het Georgisch) omvatte.

 

Chronogram

 

 

De eerste Alanen


De eerste historische documenten die namen bevatten die later met de Alanen zijn geassocieerd, dateren uit hedendaagse bronnen, de Grieks-Latijnse geografie en de kronieken van de Chinese dynastie van de 1ste eeuw n. Chr. Strabo, een Griekse auteur geboren in Pontus (Zwarte Zee) die ook met Perzische bronnen werkte. Te oordelen naar de vormen die hij gebruikt om de stammen te benoemen, vermeldt in zijn Geografie (boek xxiii, hoofdstuk 11). v) de Aorsos, die hij associeert met de Syriërs, waarbij hij erop wijst dat de koning van de eerstgenoemde, een zekere Spadines, in het midden van de 1ste eeuw v. Chr. tot 200 000 boogschutters te paard kon verzamelen, hoewel de noordelijke Aorsos, voor wie zij gevlucht waren, er nog veel meer konden sturen, aangezien zij het kustgebied van de Kaspische Zee domineerden.

En zo konden ze kamelen importeren van de markten van India en Babylon, Ze namen ze af van zowel de Armeniërs als de Medes. Ze konden ook, vanwege hun rijkdom, gouden versierselen dragen. Vandaag de dag leven de Aorsos aan de Tanaïs (de rivier Don (Rusland)) maar de Syriacs wonen in de Acardius (Koeban rivier (Rusland)) die vanuit het Kaukasus gebergte in het Meotis meer stroomt.

Over de namen van plaatsen en mensen die in Chinese kronieken voorkomen wordt meer gespeculeerd dan over de Griekse, hoewel in de kroniek van de Han-dynastie, de Hou Han Shu, geschreven in 488 v. Chr., melding werd gemaakt van een rapport dat het steppegebied genaamd Yancai ook bekend stond als Alanliao (阿蘭聊):

Het Koninkrijk Yancai (letterlijk vertaald ‘uitgestrekte steppe’) heeft zijn naam veranderd in Koninkrijk Alanliao. De hoofdstad is de stad Di. Het is een provincie van Kangju (in het centrum van Turkestan in Bei’tian, later verhuisd naar Taskent in Zhe’she). Het klimaat is zacht. Er zijn talrijke ligustrums (ligustrum lucidum) pijnbomen en “wit gras” (aconitum napellus) Hun levensstijl en kleding zijn vergelijkbaar met die van de inwoners van Kangju.

In een ander hoofdstuk van Shiji, geschreven in 123 (2e eeuw voor Christus), werd gemeld dat:

Ongeveer 832 km ten noordwesten van Kangju is de staat Yen-ts’ai. Het aantal getrainde boogschutters is 100.000. Hun levensstijl is vergelijkbaar met die van Kangju. Het ligt aan het Grote Meer, dat geen [verdere] oever heeft [en waarschijnlijk de zee in het noorden is].

Om te begrijpen waar hij het over heeft, wat betreft het gebied, moet je weten dat de Chinese ri van de Han-periode verschilt van de basiseenheden van de afstand van de SI, aangezien een ri gelijk was aan 415,8 meter. Het “Grote Meer (Moeras)” kan ofwel een kaap van de Aral Zee zijn, die niet ver van Kangju ligt (hemelsbreed Taskent en Aralsk is ongeveer 866 km); ofwel het moerasland van de Donaudelta, een groot obstakel dat de nomadenvolkeren die naar het westen wilden gaan, hinderde; ofwel de nog indrukwekkender Pripetmoerassen, in wat nu Wit-Rusland en Oekraïne is. Zo hadden Alanen aan het begin van de 1ste eeuw het land ten noordoosten van de Zee van Azov, langs de Don bezet. Schriftelijke bronnen suggereren dat de Alanen tussen de tweede helft van de 1ste eeuw en de 4e eeuw de suprematie van de stammen bezat en een machtige confederatie van Sarmatiaanse stammen zou hebben gecreëerd. De Alanen vormde een probleem voor het Romeinse Rijk, omdat zij in de 2e en 3e eeuw invallen deden in zowel de Donau- als de Kaukasusprovincies.

De Romeinse historicus Amiano Marcellinus stelde dat: “Bijna alle Alanen zijn groot en zien er goed uit. Hun haar is meestal blond en hun ogen zijn vreselijk fel”. Evenzo, beschouwde hij de Alanen als de oude Masagetos: “Iuxtaque Massagetae Halani et Sargetae”, “Per Albanos et Massagetas, quos Alanos nunc appellamus”, “Halanos pervenit, veteres Massagetas”. (grenzend aan Massagetae Halani en Sargetae, volgens Albani en Massagets, nu de Alani geheten, bereikte de Alanos het allang bestaande Massagetae ???)

Archeologische bevindingen ondersteunen de geschreven bronnen. P.D. Rau heeft de overblijfselen van de laatste Sarmaten met de historische Alanen geïdentificeerd. Op basis van het archeologische materiaal waren zij een van de nomadische Iranees sprekende stammen die in de 1ste en 2e eeuw het door de Sarmatiërs gedomineerde gebied begonnen binnen te dringen.

De Alanens verscheen voor het eerst in Romeinse geschriften in de 1ste eeuw en werden later beschreven als een oorlogszuchtig volk dat gespecialiseerd was in de paardenfokkerij. Ze vielen vaak het Parthische Rijk en de Romeinse provincies van de Kaukasus aan. In een inscriptie van de Parthische koning Volognes I staat dat hij in het 11e jaar van zijn bewind tegen Kuluk, koning van de Alanen, vocht.

Deze inscriptie wordt ondersteund door de hedendaagse Joodse historicus, Flavius Josephus (37-94), die in zijn Oorlog tegen de Joden (boek VII, hoofdstuk 8.4) schreef hoe de Alanen (die hij de Scythische stam noemt) die bij de Zee van Azov woonden, de IJzeren Poorten overstaken op zoek naar plundering en de legers van Pacoros, koning van de Media, en Tiridates I, koning van Armenië, beide broers van Volognes I (wiens inscriptie we hierboven zagen), versloegen:

4. Er was een natie genaamd de Alanen, die we eerder de Scythen hadden genoemd, en zij woonden bij het Meotis-meer. In deze periode was deze natie bereid om Media en de daaromheen liggende gebieden aan te vallen met als doel ze te plunderen. Met dat voornemen sloten ze een verdrag met de koning van Hyrcania, aangezien hij was de hij de beheerder was van de doorgang die de grote Alexander de Grote met ijzeren deuren had afgesloten. Deze koning gaf hen toestemming om het land over te steken en dat deden ze met grote menigten en ze vielen zonder waarschuwing de Medes aan en plunderden hun land, dat ze erg bewoond vonden, en herbevolkten het met een grote overvloed aan vee en niemand durfde zich te verzetten, aangezien Parocos, de koning van het land, uit angst was gevlucht naar moeilijk toegankelijke plaatsen waarbij hij alles had opgegeven wat hij had, alleen zijn vrouw en concubines had hij behouden, niet zonder problemen, want nadat hij hen als gevangen (in een ander land) had gemaakt moest hij hen honderd talenten betalen om hen vrij te kopen. Deze Alanen hebben het land dus zonder tegenstand en met groot gemak geplunderd. Ze kwamen uit het verre Armenië en op hun weg hadden ze alles weggevaagd. Het was de Tiridates I koning van dat land die het opnam tegen hen, hij vocht en worstelde met hen en werd bijna gevangen genomen in de strijd, want een zekere man gooide van grote afstand een net naar hem toe en zou hem gevangen genomen hebben als de koning niet onmiddellijk de touwen doorgesneden had met zijn zwaard en vluchtte. Dat maakte de Alanen nog bozer bij de aanblik van zo’n gebeurtenis, hebben het land met de grond gelijk gemaakt en hebben een groot aantal mannen en roofden een groot deel van wat in beide koninkrijken bezaten en hebben zich vervolgens teruggetrokken naar hun eigen land.

Flavius Arianus nam in de 1ste eeuw de strijd tegen de Alanen op en liet een gedetailleerd rapport achter (Ektaxis kata Alanoon of te wel De oorlog tegen de Alanen), dat een van de belangrijkste bronnen is voor het bestuderen van keizerlijke militaire tactieken, hoewel het niet veel onthult over zijn vijand.

De “Westerse” Alanen en de Vandalen


Rond het jaar 370 werden de Alanen weggevaagd door de Hunnen en verdeeld in verschillende groepen, waarvan sommige naar het westen vluchtten. Twee groepen van deze westelijke Alanen sloten zich aan bij de Germaanse stammen van de Vandalen en Sueben en staken met hen in 407 de Rijn over om daarna Romeins Gallië binnen te vallen. Gregorius van Tours noteert in zijn Liber historiae Francorum (Boek over de geschiedenis van de Franken) de Alanen koning Respendial beslechte eerder al een strijd in het voordeel van de Vandalen in een botsing met de Franken bij de Rijn op 31 december 406, waarbij de Vandaalse Asdingen koning Godigisel (vader van Gunderik) sneuvelde. Volgens deze historicus stak ook een andere groep Alanen, onder leiding van Goar, rond die tijd de rivier over. Deze groep verbond zich later met de Romeinen moment en vestigden zich in Gallië.

In het jaar 409 gingen de Vandalen, de Sueben, samen met de Alanen naar het Iberisch schiereiland (toen Hispania). Daar gingen ze twee jaar door met plunderen tot ze een akkoord bereikte met de Hispano-Romanen om het bisdom te verdelen. De Alanen vestigden zich in de provincies Lusitania en Cartaginense: “Alani Lusitaniam et Carthaginiensem Provinces, et Wandali cognomine Silingi Baeticam sortiuntur” (volgens Hidacio) (De Alanen gingen naar de provincies Lusitaniam en Carthaginiensem, en de Vandalen met de naam Silinges kregen Baeticam toegewezen, Hidacio). De Silingi Vandalen vestigden zich in Betica, de Sueben in het kustgebied van Galicia en de Asdingos Vandalen in de rest van Galicia. Het feit dat de Alanen verreweg het grootste grondgebied ontvingen, doet ons denken dat zij de dominante kracht waren in de coalitie van barbaarse volkeren die het schiereiland binnen waren gekomen. Er werd ook aangenomen dat de Alanen na ontvangst van twee provincies in twee stammen waren verdeeld: die in Lusitania onder leiding van Ataces en die van de Cartaginense, geregeerd door Respendial (hoewel de klassieke bronnen hem tijdens de periode  op het Iberisch schiereiland niet vernoemen). Hun schikking vond plaats op basis van de hospitalitas waarmee de indringers van de Romeinse eigenaren een aanzienlijk deel van de inkomsten van hun land ontvingen. In ruil daarvoor boden ze “bescherming” tegen mogelijke aanvallen door plunderaars of indringers.

In 412 veroverde Alanen Koning Ataces de stad Emerita Augusta (Merida) en vestigde daar zijn hofhouding voor zes jaar, totdat hij in 418 stierf in een gevecht tegen de Visigotische koning Walia. Deze tak van Alanen deed na de dood van hun koning een beroep op de Asdingo Vandalen koning Gunderico om de kroon van Alanen te accepteren. Hoewel sommige van deze Alanen in Iberia bleven, ging het merendeel samen met de Vandalen, in 429, naar Noord-Afrika. De latere Vandalen koningen van dit gebied noemden zichzelf Rex Wandalorum et Alanorum (Koning van de Vandalen en Alanen).

In Gallië vestigden de Alanen zich aanvankelijk onder leiding van Goar in verschillende gebieden, vooral in de buurt van Orléans en Valence. Onder deze koning sloten zij een bondgenootschap met de Bourgondiërs van Gundahario (Gunther), met wie zij de usurpator keizer Jovinus op de troon zetten. Met Goar’s opvolger, Sangiban, hebben de Alanos van Orléans een cruciale rol gespeeld in het afweren van Attila’s invasie in de Slag om de Catalaunische Velden. Na de 5e eeuw werden de Alanos van Gallië echter meegesleurd in de territoriale strijd van de Franken en Visigoten en hadden ze niet meer de onafhankelijkheid die ze ooit hadden. Flavius Aëtius bracht vele Alanos in de regio van Armorica samen om de opstanden te onderdrukken. De Bretonse naam Alan (voor de Franse Alain) en vele steden met namen die verband houden met “alano”, zoals Alanville, worden in de volksmond beschouwd als bewijs dat een contingent van dit volk zich in Bretagne heeft gevestigd.

Het honden ras Alana, gefokt door de Alanen, dat gebruikt werd voor de berenjacht en het bewaken van het vee.

Op het Iberisch schiereiland richtten zij zich op de Romeinse provincies Lusitania en Cartaginense. Ze werden later bekend door hun massale jacht en hun vechthonden, die ze blijkbaar in Europa introduceerden. Een ras van deze honden, dat in bepaalde gebieden van Castilia y León, Asturias en Pais Vasco overleeft, draagt nog steeds de naam “alana”. Ze werden meestal gebruikt voor de berenjacht en voor de bewaking van het vee. Maar niet alleen dat. Een deel van de groep Germaanse Alanos vestigde zich samen met Visigoten in het noordoosten van het schiereiland en gaven volgens de Encyclopædia Iranica hun naam aan Cataluña, waarvan de inwoners de Got-Alanien heten.

De genetica heeft nu een geografische verdeling van genetische markers ontdekt die sommige onderzoekers ervan heeft overtuigd dat er een verband bestaat tussen het zeer oude en diepe Sarmatisch-Alandiaanse erfgoed en de vaderlijke DNA-lijn G-groep, met name G2.

 

Alanen en Slaven


De Alanen stammen die ten noorden van de Zwarte Zee leefden, zijn misschien naar het noordwesten verhuisd naar het huidige Polen, waar ze zich vermengen met de Slavische volkeren om de voorouders van de historische Slavische naties (vooral Serviërs en Kroaten) te worden. In 3e eeuwse inscripties die in Tanais zijn gevonden, wordt een volk gesitueerd aan de rivier de Don (Rusland), vernoemd naar een Alana-stam uit het gebied genaamd de Horuatos of Horuatos (Kroaten). De Ptolemeïsche historicus identificeert de Serviërs als een Sarmatiaanse stam die in de noordelijke Kaukasus leefde en andere bronnen geven aan dat ze een 3e eeuwse Alanen stam uit de Don-Volga-steppe waren.

Er zijn documenten waar deze namen weer opduiken in de 5e eeuw, waarin de Serviërs zich ten oosten van de rivier de Elbe in het huidige West-Polen en de Kroaten in het Poolse Galitzia vestigden. Deze Alaanse stammen migreerden waarschijnlijk naar het noordoosten en vestigden zich onder de Slavische stammen, waardoor ze werden gedomineerd, gemobiliseerd en uiteindelijk hun cultuur assimileerden. In 620 nodigde de Byzantijnse keizer Heraclius, Kroaten en Serviërs uit om de Turkse Avaren te verdrijven en zich te vestigen onder eerdere Slavische groepen en uiteindelijk de voorouders van de moderne Serviërs en Kroaten te worden. Sommige bleven in het Elbegebied en hun nakomelingen zijn de moderne Sorben. Byzantijnse en Arabische kronieken uit de 10e eeuw beschrijven een volk die Belochrobati (Witte Kroaten) worden genoemd en die leefden aan de bovenloop van de Wisla, een gebied dat later bekend werd als Hrobatia.

 

De Oostelijke Alanen en de Hunnen


Andere Alanen bleven onder de heerschappij van de Hunnen. Deze oostelijke stammen, die tot in de middeleeuwen verspreid waren over de steppen, werden gedwongen om naar de Kaukasus te gaan toen de Mongolen binnenkwamen, waar ze de hedendaagse Oskos werden. Hun bekendste leider was Aspar, de magister militum van het Byzantijnse Rijk in de jaren 460. Ze vormden ook een netwerk van stammenverbanden tussen de 9e en 12e eeuw.

 

De middeleeuwse Alanen


Kaart met de ligging van Alanos 650 v. Chr.

In de 8e eeuw ontstond in de bergen van de Noordelijke Kaukasus een geconsolideerd Alania-rijk, dat in de kronieken van de Alania-periode wordt genoemd, ongeveer in het huidige Circasische en Noord-Ossetisch-Alania. Hun hoofdstad was Maghas en van daaruit controleerden ze de zeer belangrijke handelsroute van de Darjalkloof. In die tijd had het een uitgang naar de zee, naar de oude havenstad Phasis (Poti), op Colchis (West-Georgië).

Het Middeleeuwse Alania.

In de eerste jaren van de 9e eeuw viel het Alano-koninkrijk van de Kaukasus onder de Janato Khazar. Ze waren trouwe bondgenoten van de Khazaren en steunden hen tegen de coalitie onder leiding van Byzantium tijdens het bewind van koning Khazar Benjamin. Volgens de anonieme auteur van het Cambridge Document of Schechter’s Letter hadden veel Alanen zich op dat moment tot het jodendom bekeerd. Aan het begin van de 10e eeuw vielen ze echter onder de invloed van het Byzantijnse rijk, zeker vanwege de bekering van hun leider tot het christendom. De Byzantijnen, die een anti-Jazar buitenlands beleid hadden aangenomen, betrokken de Alanen in een oorlog tegen Janathus tijdens het bewind van Aaron II, rond het jaar 920. De Alanen werden verslagen en hun koning werd gevangengenomen. Volgens moslimbronnen, zoals de al-Mas’udi-kroniek, verlieten de Alanen het christendom en verdreven ze de Byzantijnse missionarissen en geestelijken juist in deze jaren en vanwege deze gebeurtenissen. De zoon van Aaron trouwde met de dochter van de Alano-koning en dus verbond Alania zich opnieuw met de Khazaren tot hun ineenstorting in 960.

Vanaf dat moment hebben de koningen van Alania zich vaak verbonden met de Byzantijnen en met verschillende Georgische heersers op zoek naar bescherming tegen de invallen van de volkeren van de steppe, zoals de Petsjenegen en de Koemanen (Polovtsiërs). Hun alliantie met Georgië bereikte zijn hoogtepunt in 1187, toen de Alanen Prins David Soslan met koningin Tamara trouwde. De middeleeuwse Alana prinsessen waren ook getrouwd met de Russische heersers die meer dan eens afstammen van Rurik. Zo was bijvoorbeeld de heilige Maria Osseta, die het klooster van de prinsessen in Vladimir stichtte, de vrouw van Vsevolod III en de grootmoeder van Alexander Nevski.

Religie, taal en late geschiedenis


In de 4e en 5e eeuw werden de Alanen gedeeltelijk gekerstend door Byzantijnse missionarissen van de Ariaanse kerk. In de 13e eeuw vielen Mongoolse nieuwkomers het gebied binnen en duwden de oostelijke Alanen veel zuidelijker de Kaukasus in, waar ze zich vermengden met de inheemse bevolking die achtereenvolgens drie territoriale entiteiten vormden met zeer verschillende ontwikkelingen. Rond 1395 viel het Tamerlan-leger de Noord-Kaukasus binnen en slachtte het grootste deel van de Alana-bevolking af.

Na verloop van tijd stond de provincie Digor onder islamitische en kabardische invloed; in feite was het via de laatste (een oostelijke Circassiaanse stam) dat de islam in de 17e eeuw in de regio werd geïntroduceerd. De Tuallag in het zuiden bleef in wat nu Georgië is en de Irons, de noordelijke groep, bleven na 1767 in het Russische deel, wat het orthodoxe geloof aanzienlijk versterkte. Veel van de huidige Osseten zijn orthodoxe christenen.

De linguïstische afstammelingen van de Alanen, die in verschillende autonome republieken van Rusland en Georgië wonen, spreken Ossetisch, dat tot de groep van Noordoost-Iraanse talen behoort, als de enige overlevende van het Scythisch-Sarmatische dialect dat ooit de zeesteppe overspande. Zwart en Centraal-Azië. Het moderne ossetisch heeft twee hoofddialecten: digor, die wordt gesproken in het westelijke deel van Noord-Ossetië; en Iron, dat in de rest van de republiek wordt gesproken. Een derde tak, het Jassico (jász), werd vroeger in Hongarije gesproken. De literaire taal, gebaseerd op het Irons dialect, werd bepaald door de nationale dichter Kostá Jetagúrov (1859–1906).

Er is een kleine gemeenschap in het westen van Irak die alanis heet. Ze lijken Iraanse of Turkse voorouders te hebben en zijn soennitische moslims. De naam alanis is waarschijnlijk aangenomen in een poging om de afstammelingen van de legendarische stam voor zichzelf op te eisen. Ze zijn echter erg gearabiseerd. Ze dragen veel raciale gelijkenissen met de Kaukasiërs en gebruiken zelfs “alani” als achternaam. Het is niet ongewoon om roodharige of blonde mensen onder hen te vinden, hoewel ze door de Arabieren te trouwen nu een grote verscheidenheid aan fenotypen hebben: er zijn er die Mongoolse kenmerken hebben, wat zou kunnen bewijzen dat ze Altaïsche in plaats van Iraanse voorouders hebben, aangezien de Turkse stammen een groot percentage van het Mongoolse bloed hebben. Ze zijn soms in verband gebracht met de twaalf verloren gegane stammen van Israël, met de Hunnen, met de Chazarens en natuurlijk met het Tartaren leger van de Hulagu khan die Irak binnenvielen. De laatste theorie is ontwikkeld door de sjiieten, die de Alanis verafschuwen vanwege hun grote politieke en culturele invloed op de Iraakse samenleving. Extreme Shi’ites noemen ze “vuile honden” en “varkens” die volledig moeten worden uitgeroeid. De historische band met de Alanis is echter gebaseerd op legende en roddels. Raciaal gezien zijn ze anders dan de Semitische Arabieren, omdat ze meer lijken op de Altaïsche tak. Ze kwamen waarschijnlijk uit Siberië en Centraal-Azië in 478 na Christus, volgens een legende die hen in de Noordelijke Kaukasus of Turkestan plaatste.

 

Naar boven
Spaanse Verhalen. spaanseverhalen.com
Laatst bijgewerkt 2020-07-30

Bronvermelding en referenties

{{Bronvermelding Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Alanos| oldid=127892026| datum=20200726}}
{{Bronvermelding Nederlandse Wikipedia|taal=nl|titel=Alanen| oldid=54806190| datum=20200726}}
{{Bronvermelding Nederlandse Wikipedia|taal=nl|titel=Respendial|oldid=55937007| datum=20200728}}
{{Bronvermelding Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Ataces| oldid=125685291| datum=20200728}}
{{Bronvermelding Nederlandse Wikipedia|taal=nl|titel=Gunderik|oldid=55971610| datum=20200728}}
{{Bronvermelding Internet Archive WayBack Machine| https://web.archive.org/web/20051217140614/http://www.members.cox.net/morebanks/G2Ideas| datum=20200728}}