Marca Hispánica

Marca Hispánica

Kaart van het Marca Hispánica, Navarra en Vasconia in het jaar 806.

De Marca Hispánica was het grondgebied tussen de politiek-militaire grens van het Karolingische Rijk en het al-Ándalus van de moslims (ten zuiden van de Pyreneeën), vanaf het einde van de 8e eeuw tot aan de effectieve onafhankelijkheid van de verschillende koninkrijken en graafschappen.

Het was een bufferzone die in 795 door Karel de Grote werd gecreëerd buiten de voormalige provincie Septimania, als een defensieve barrière tussen de Umayyaden van Al-Ándalus en het Frankische Karolingische Rijk (hertogdom Gascogne, hertogdom Aquitaine en Karolingische Septimania). Het gebied komt ruwweg overeen met de regio tussen de Pyreneeën en de Ebro. De omvang van het gebied veranderde naargelang de kracht van een van beide rijken of de feodale ambities van de graven of walis, die aangesteld werden om de graafschappen te besturen. In tegenstelling tot andere Karolingische Marken had de Marca Hispanica geen eigen uniforme bestuurlijke structuur.

Na de moslimverovering van het Iberisch schiereiland grepen de Karolingers aan het eind van de 8e eeuw in het noordoosten van het schiereiland in, met de steun van de inheemse bevolking van de bergen. Na de verovering van Gerona (785) en Barcelona (801) werd de Frankische heerschappij verder in het zuiden van het land van kracht. De zogenaamde “Marca Hispanica” bestond in het begin van de 9e eeuw uit graafschappen die afhankelijk waren van de Karolingische vorsten. Om deze gebieden te besturen, hebben de Frankische koningen, graven aangesteld, sommige van Frankische afkomst en andere inheems, volgens criteria van militaire effectiviteit in de verdediging van grenzen en loyaliteit en trouw aan de kroon.

Kaart met de verschillende koninkrijken op het Iberisch schiereiland rond 910 n. Chr.

Het gebied dat van de moslims werd gewonnen, werd geconfigureerd als de Marca Hispánica, in tegenstelling tot de Marca Superior andalusí, dat liep van Pamplona tot Barcelona. Van al deze was Pamplona degene die het meest bekendheid genoot. Pamplona was in het eerste kwart van de 9e eeuw als koninkrijk opgericht; Aragón, werd in 809 als onafhankelijk graafschap opgericht; Urgel was een belangrijke bisschoppelijke zetel en graafschap met een eigen dynastie sinds 815; en het graafschap Barcelona, dat in de loop van de tijd de heerschappij over zijn buren, Ausona en Gerona kreeg.

De aparte hoofdstukken:

 

De geografische context


Kaart met de verschillende koninkrijken op het Iberisch schiereiland rond 1000 n. Chr.

De  bevolking van de marken was zeer divers, waaronder inheemse berggroepen, Iberiërs, Hispano-Romeinen, Basken, Kelten, Berbers, Joden, Arabieren en Goten.  Deze werden veroverd en/of verbonden met de islamitische of Frankische heersers. Met het verstrijken van de tijd werden de hoofden (graven, wali’s) en de bevolking autonoom en eisten ze hun onafhankelijkheid op. Het gebied en zijn etnische samenstelling veranderden in overeenstemming met het lot van de rijken en de feodale ambities van de graven en valies die werden gekozen om de regio’s te besturen. De overdracht van een betaling werd vaak buiten het slagveld geregeld door middel van een financiële compensatie.

Geografische gebieden die op verschillende momenten deel uitmaakten van de Marca Hispánica zijn Barcelona, Besalú, Cerdanya, Conflent, Ampurdán, Gerona, Jaca, Osona, Pamplona, Pallars, Perelada, Ribagorza, Rosellón, Sangüesa, Sobrarbe, Urgel en Vallespir.

 

Evolutie


In de loop van de negende eeuw werden de Karolingische graafschappen geconsolideerd en hun heersers werden steeds autonomer naarmate het Karolingische Rijk door interne verdeeldheid in een crisis raakte. Sommige van deze graafschappen zijn een beleid van toenadering tot de naburige moslimstaten begonnen en hebben goede betrekkingen met hen onderhouden.

De christelijke koninkrijken en de Taifas koninkrijken rond jaar 1030.

Tot de onafhankelijkheid van de westelijke graafschappen van koning Karel de Grote werd besloten na het mislukken van de verovering van Saraqusta. De belangstelling van Karel de Grote voor het islamitische deel van het Iberische schiereiland, bracht hem ertoe een opstand in de Vilayat van de Marca Superior van al-Ándalus te steunen. Sulayman al-Arabi, een wali uit Barcelona, was met steun van de Franken, een opstand begonnen met als doel emir van Córdoba te worden, in ruil voor de overdracht van het gebied van de Taifa de Saraqusta (taifa Zaragoza) aan de Frankische keizer.

Karel de Grote kwam in 778 aan de poorten van de stad aan. Eenmaal daar weigerde de wali van Saragossa Husayn echter de toegang voor het Karolingische leger. Door de problemen die ontstaan bij een langdurige belegering, met een leger dat zo ver van het logistieke centrum verwijderd is, zag hij maar af van de belegering.Op de terugweg naar zijn koninkrijk liet hij het leger Pamplona, de hoofdstad van de Basken, die bondgenoot waren van de Banu Qasi, plunderen. Zij ruïneerde de stad compleet.

Daarna werd dit machtigste leger van de 8 eeuw, op 15 augustus 778, in de pas van Roncesvalles, tussen de Ibañeta-pas en het Valcarlos-ravijn, door inheemse Baskische groepen, in een sterke hinderlaag gelokt. Dit gebeurde waarschijnlijk op initiatief van de trouwe zonen van Sulayman: Aysun en Matruh ben Sulayman al-Arabí, die een algemene ramp veroorzaakten aan de achterkant van het leger, dat werd aangevoerd door de neef van keizer Karel de Grote, Roldán. Het ‘Chanson de Roland‘ heeft deze gebeurtenis van de Slag bij Roncesvalles onsterfelijk gemaakt. (zie ook het Koninkrijk Navarra).

Abderraman I

De wali van Barcelona Sulayman ben al-Arabi, kwam, samen met andere wali’s, in opstand tegen Abderraman I. Zij zochten daarbij de hulp van Karel de Grote om de macht van het emiraat in 777 te veroveren. De overeenkomst liep niet goed af en Sulayman, die met zijn troepen oprukten om zich bij de rebellen van de Emir en het leger van Karel de Grote aan te sluiten, werd door dit front als verrader gevangen genomen. Tijdens de slag bij Roncesvalles werd hij bevrijd door het gecombineerde leger van Basken en moslims en keerde hij terug naar Zaragoza. Sulayman stuurde zijn zoon Matruh naar Barcelona en Gerona om die steden te controleren. Bij de dood van zijn vader in 780 laat Matruh Barcelona ten gunste van het emiraat Córdoba, die hij hielp bij de belegering van Zaragoza in 781.

Rond het jaar 784 trouwde Musa ibn Fortún met Oneca en werden ze onder andere ouders van Musa ibn Musa. Oneca was eerder getrouwd met de Baskische Iñigo Jiménez van de Jimena-dynastie en was de moeder van Iñigo Arista, die later de eerste koning van Pamplona zou worden, waardoor Iñigo Arista en Musa II stiefbroers werden.

In 785 gaf Gerona zich zonder slag of stoot over, stichtte Carlomagno, het graafschap Gerona en vestigde een eerste grenslijn langs de rivier de Ter, met forten zoals die van Roda de Ter.

Het Iberisch schiereiland tussen 1076 en 1080. Op andere momenten in deze eeuw waren er ook de Taifa’s van Tortosa en Lerida. De rest van het platteland van Tarragona en de stad werd in 950 veroverd door de graaf van Barcelona, hoewel het onbevolkt bleef. Vanaf dat moment kwam de grens steeds dichter bij Lérida en Tortosa te liggen.

In 789 komt de wali Husayn de Zaragoza opnieuw in opstand en neemt de controle van Zaragoza en Huesca (Wasqa) over. Bij de dood van Matruh in 792 nam Sadun al-Ruayni de macht over van Barcelona. Sadun reisde in 797 naar Aken, de hoofdstad van het Karolingische rijk, om opnieuw hulp te vragen aan de keizer tegen het emiraat van Córdoba, dat toen onder controle stond van Al-Hakam I. In ruil daarvoor bood hij Madinat Barshiluna (Barcelona) aan. Karel de Grote stuurde zijn zoon Lodewijk de Vrome die, samen met andere edelen, al in de herfst van 800 Barcelona vreedzaam wilden innemen. Sadun echter, hield zijn woord niet en weigerde de stad over te geven, dus vielen de Franken haar aan. Het beleg duurde lang en Sadun ontsnapte op zoek naar Córdoba’s hulp. Hij werd gevangengenomen, waarna Harun, de laatste wali van Madinat Barshiluna, de macht overnam. Hij was er voorstander van om zich te blijven verdediging tegen de Frankische aanvallen en werd door zijn eigen aanhang gevangengenomen en aan de Franken, waarschijnlijk op 3 april 801, overgedragen. Lodewijk de Vrome rukte op naar Tortosa. In 804 en 810 mislukten twee expedities om Tortosa te veroveren en het islamitische tegenoffensief dwong hem zich terug te trekken naar het Llobregat.

Het Karolingische Rijk viel, na de dood van de zoon van Karel de Grote, Lodewijk I de Vrome of Ludovico Pio, enkele decennia later uiteen. De drie zonen van Karel de Grote (Karel, Lotharius en Lodewijk) verdeelden het rijk door middel van het Verdrag van Verdun (843). De Marca Hispánica kwam toe aan Karel III van Frankrijk, bijgenaamd “de Kale”. Naast zijn conflicten met zijn broers moest hij tevens het hoofd bieden aan de invallen van de Vikingen tussen 856 en 861 op zijn grondgebied.

De Mediterrane kust, die sinds de oudheid vol met wachttorens tegen de Berberpiraterij stond, werd sinds 858 aangevallen door de Noormannen, die vanuit Tortosa de Ebro opvaarde en vervolgens naar het koninkrijk Navarra gingen, de onneembare steden Zaragoza en Tudela achterlatend, en vervolgens de zijrivier de Aragón opgingen, totdat deze de rivier de Arga ontmoette, die ook opgingen, en daarna Pamplona bereikten en plunderden, waarbij ze de koning van Navarra ontvoerden. Ze doen hetzelfde in Orihuela, waar ze de Segura opvaarde.

Op 16 juni 877 ondertekende Karel de Kale de capitulatie van de hoofdstad Quierzy, waarmee hij de goede voortgang van het rijk wilde regelen en de erfenis van de vorstendommen en graafschappen wilde vastleggen. Deze bepaling heeft het proces van de graafschappen van de Marca Hispánica in de richting van hun feitelijke onafhankelijkheid aan het eind van de 9e eeuw bevorderd.

 

 

Oorsprong van de graafschappen


Na de islamitische verovering van het Iberisch schiereiland werden de graafschappen die later het Koninkrijk Aragón zouden vormen (Aragón, Sobrarbe en Ribagorza, van west naar oost), gevormd als Karolingische marken waaraan het hoofd van ieders een Frankische markies of gouverneur werd geplaatst. De status van het graafschap Sobrarbe blijft echter onduidelijk, aangezien de Islam de belangrijkste stad in dit gebied, Boltaña, en de commerciële routes die de Pyreneeën doorkruisen vanaf het grondgebied van Sobrarbe, controleerden. Het lijkt er niet op dat er in de beginperiode een belangrijke christelijke gemeenschap was.

In het begin van Aragón en in Ribagorza werden echter kloosters opgericht die landbouwgrond cultiveerden en de veeteelt activeerden. Het graafschap Aragón bevond zich rond de rivier de Aragón en ontwikkelde zich in de valleien van Ansó, Hecho, Aisa en Canfranc. Het kerkelijk en cultureel centrum was het klooster van San Pedro de Siresa, en veel later de stad Jaca.

De locatie van het graafschap Aragón.

Aan het einde van de 8e eeuw werden de christenen die in de bergen leefden, gedomineerd door de Karolingische macht en aan het hoofd van het oorspronkelijke Aragon plaatsten ze een Frankische graaf genaamd Aureolo. Bij zijn dood in 809 bezetten de strijdkrachten van de cora Harkal-Suli, van het emiraat Córdoba, een gebied dat grofweg de huidige provincie Huesca omvatte, en bezette kortstondig het graafschap Aragon. Maar na een jaar besloot men om dit gebied niet blijvend te behouden, aangezien in 810 de inheemse graaf Aznar I Galíndez, mogelijk aan de macht gekomen met de steun van de koning van PamplonaÍñigo Arista, het graafschap opnieuw verkreeg. Later werd hij uit deze gebieden verdreven door García Galíndez. el Malo ‘, hoewel hij ter compensatie de regering van de graafschappen Urgel en Cerdaña verkreeg. Aznar I Galíndez vestigde echter een erfelijke graafschaps-dynastie in Aragon vanaf het eerste decennium van de 9e eeuw, aangezien zijn zoon Galindo Aznárez I (of Galindo Aznar) het graafschap Aragon bestuurde vanaf  830 tot het midden of eind van de jaren 860. Zijn macht sterkte zich uit tot het graafschap Pallars. Het graafschap, bevrijd van de afhankelijkheid van de Franken, stond niettemin onder invloed van het koninkrijk Pamplona. Desondanks slaagde het Aragonese graafschap erin zijn sociale en bestuurlijke identiteit te behouden.

Aznar Galindez I of Aragon

Sobrarbe was een gebied dat aan het gezag van de wali van Huesca was onderworpen, vanuit de stad Boltaña, de versterkte stad Alquézar en, uiteindelijk vanuit Barbastro, het belangrijkste stedelijke en commerciële centrum in het gebied. Hoe dan ook, vanaf 775 wordt Blasco de Sobrarbe gedocumenteerd als heer van de meest noordelijke landen van dit gebied, kort daarna wordt deze noordelijke regio geïntegreerd in de domeinen van de graaf van Aragón. Aan het begin van de 10e eeuw sloot het zich aan bij het graafschap Ribagorza na het huwelijk van Bernardo Unifredo met Toda Galíndez, dochter van Galindo II Aznárez, begunstigd met het graafschap Sobrarbe.

De opname van Ribagorza in het Marca Hispánica van het Koninkrijk der Franken moet door de Ribagorzanen zelf zijn aangevraagd bij Karel de Grote (althans dat wordt, dit met betrekking tot de Benasque-vallei, afgeleid uit het deel dat niet vals lijkt te zijn van de document, uit het einde van de 11e eeuw, bekend als de ‘Canónica de San Pedro de Taberna‘ (Canoniek van San Pedro de Taberna), het klooster dat op dat moment in de valle de Seira (vallei van Seira) bestond. Sinds de 9e eeuw (ergens tussen 800-814) is het een christelijk territorium, gevormd door de valleien die de bovenloop van de Ésera-rivieren vormen en zijn zijrivier de Isábena (in het Cinca-bekken) en de Noguera Ribagorzana (in het Segre-bekken). Karel de Grote voegde dit gebied toe aan het Koninkrijk Aquitaine en plaatste het onder de directe heerschappij van de opeenvolgende graven van Toulouse die door de keizer waren aangesteld. Als gevolg van de crisis in het graafschap Toulouse, veroorzaakt door de gewelddadige dood van graaf Bernard II, in 872, werd een Karolingische edelman, Raimundo I van Ribagorza-Pallars, zoon van graaf Lope de Bigorre, door een delegatie van de provincie aangesteld. Waarschijnlijk regeerde hij ook over Ribagorza en Pallars regeerde door de provinciedelegatie. Hij stopte met het bijwonen van de Karolingische Jaarvergadering, en als een onafhankelijke graaf begon hij zijn eigen dynastie van graven, die hij tijdens zijn eigen leven reeds in twee takken verdeelde (en dit in zijn testament zou bevestigen): twee van zijn zonen zouden het onafhankelijke graafschap Ribagorza regeren onder de titel Graaf, en twee anderen zouden hetzelfde doen in dat van Pallars; een vijfde zoon zou de bisschop van Ribagorza, Pallars en de vallei van Arán zijn. Een bisdom dat Raymond wilde oprichten om zijn gebieden te scheiden van de afhankelijkheid van het bisdom Urgell dat ex novo (opnieuw) door Karel de Grote was opgericht in een voorschrift dat vandaag de dag is verdwenen maar dat kan worden gedateerd tussen 800 en 814 (zelfs de wettigheid van deze afhankelijkheid en het bestaan ​​van dat document vandaag de dag is twijfelachtig, gezien de recente ontdekking van de onjuistheid van de Akte van inwijding van de Kathedraal van Urgell, die deze afhankelijkheid bevestigde). Aan het einde van de 9e eeuw werd het voorbeeld van Raymond gevolgd door graaf Wifredo el Velloso. Hij was de grondlegger van het Catalaanse graafschap.Onmiddellijk na de Karolingische verovering vinden we in de door de Franken gedomineerde gebieden de vermelding van enkele politiek-bestuurlijke districten – Pallars, Ribagorza, Urgel, Barcelona, Gerona, Osona, Ampurië, Roussillon – die de naam van graafschap krijgen, waarbinnen zich, als onderverdeling, andere kleine districten bevinden, de “pago” (pagus, latijns voor kanton, gouw of dorp), zoals bijvoorbeeld Berga of Vallespir.

De oorsprong van deze graafschappen of ‘pagos‘ (kantons) dateert uit de pre-Karolingische tijd, getuigen het veelvuldige samenloop tussen hun grenzen en die van de territoria van oude Iberische stammen; Zoals bijvoorbeeld: het graafschap Cerdaña dat overeenkwam met het leefgebied van de Ceretanen, en dat van Osona met de Ausetanen, en de Pagus van Berga met de Bergistanen of Bergusi’s. Dientengevolge hadden deze gebieden noodzakelijkerwijs een politiek-bestuurlijke entiteit moeten hebben in de Romeinse en Visigotische tijd, hoewel ze geen graafschappen werden genoemd, noch werden ze geregeerd door graven in de tijd van de koningen van Toledo; In de Visigotische monarchie regeerden de graven, die hiërarchisch onder de hertogen stonden, het hoogste provinciale gezag, zij bestuurden alleen de steden, waarbij ze hun gezag uitsluitend beperkten tot het stedelijk gebied, vaak begrensd door muren, dat het van de stad afhankelijke landelijke district uitsloot. Om de gebieden ten zuiden van de Pyreneeën te organiseren, creëerden de Franken daarom geen enkele entiteit, maar beperkten ze zich tot het behoud van de gebieden die al waren gevestigd door de bestuurlijke tradities van de inwoners.

Een muntje met een afbeelding van Karel de Grote

Aanvankelijk viel het grafelijke bestuur in handen van de plaatselijke, tribale of Visigotische aristocratie, maar pogingen om hun afbakening om te zetten in erfelijke heerlijkheden dwongen de Karolingers om ze te vervangen door graven van Frankische afkomst. In 785 moesten Gerona, Urgel en Cerdaña dus de Frankische autoriteit aanvaarden die het Karolingische rijk aan deze Marca’s oplegde. Zij fungeerden als een bolwerk tegen de krachtige expansie van het Cordovaanse emiraat van de machtige Abderramán I, die al onafhankelijk was van het islamitische Oosten. In zijn strijd om de dominantie van het westen, plaatste Karel de Grote markiezen en leiders met militaire voorrechten in gebieden als Ribagorza, Pallars, Cerdaña, Besalú, Gerona, Ausona en Barcelona om zo zijn macht, tegen de Arabische offensieven, te consolideren. Gedurende de hele 9e eeuw waren de Spaanse graafschappen afhankelijk van de Karolingische keizer.

De oostelijke Pyreneese graafschappen, die vanaf de 13e eeuw een entiteit zouden vormen met de eigen geaarde gemeenschap genaamd Cataluña, waren niet alleen bestuurlijk afhankelijk van het Karolingische rijk, maar ook vanuit kerkelijk oogpunt. De religieuze macht in deze graafschappen was tussen de 8e en het midden van de 12e eeuw afhankelijk van het Karolingische aartsbisdom Narbonne, tot, in 1154, paus Anastasius IV, de Tarragonese zetel de titel van metropoliet verleende. Dit alles ondanks de pogingen in deze periode om zijn eigen aartsbisdom te herstellen, vergelijkbaar met dat van het Visigotische koninkrijk in Tarragona van Sclua (eind IX) of Cesareo, die het aartsbisdom in Vich in 970 zonder succes wilden herstellen. Op een manier dat het Marca Hispánica evenzeer afhankelijk zou zijn van de burgerlijke macht als van de Frankische religieuze macht.

In ieder geval werd het grondgebied van de Marca Hispánica in de 9e eeuw gestabiliseerd op een grens tussen het Koninkrijk van Karel de Grote en de Andalusische Marca Superior, afgebakend door de bergen van Boumort, Cadí, Montserrat en Garraf.

Pyreneese graafschappen van het Marca Hispánica van Karel de Grote.

De 10e eeuw werd gekenmerkt door de politieke versplintering van de oostelijke graafschappen, hoewel de hegemonie van de graaf van Barcelona geleidelijk aan werd bevestigd en hij sinds het begin van de eeuw ook de graafschappen Osona en Girona controleerde (ten minste sinds 908). In de 10e eeuw kreeg het kalifaat van Códoba de politieke en militaire overmacht, zodat het graafschap Barcelona en het graafschap Osona gedurende deze periode in het defensief bleven. Almanzor viel in 985 Barcelona aan en hield het meer dan een week in een staat van beleg, om uiteindelijk de hoofdstad van het graafschap te plunderen.

Toen het kalifaat van Córdoba uiteen begon te vallen konden de graafschappen Urgel en Barcelona het offensief aangaan en, net als de rest van de christelijke staten, een begin maken met de uitbreiding van hun grondgebied door middel van herbevolking van het land en militaire veroveringen. Dit alles werd gefinancierd door de Andalusische Taifas een soort van belasting op te leggen in ruil voor toezeggingen hen iet aan te vallen.In de loop van de tijd werd de afhankelijkheid van de graafschappen van de Frankische monarchie verzwakt. Er werd een autonomie geconsolideerd door erfrecht onder grafelijke families te bevestigen. Deze trend ging gepaard met een proces van samensmelting van de graafschappen tot grotere politieke entiteiten.

Graaf Wifredo el Velloso (Wilfredo de Behaarde, deze bijnaam had hij te danken als tegenwicht van Karel de Kale) vertegenwoordigde deze beweging. Zijn regering viel samen met een crisisperiode die leidde tot de fragmentatie van het Karolingische rijk in feodale vorstendommen. Vanaf dat moment werden Frankische leengoederen overgedragen door erfenis, en de Frankische koningen keurden deze overdrachten eenvoudigweg goed. Wifredo was de laatste graaf van Barcelona die door de Frankische monarchie werd aangesteld en de eerste die zijn landgoederen aan zijn kinderen naliet. Hij slaagde erin om een reeks graafschappen onder zijn bevel te herenigen, maar hij droeg ze niet samen in erfenis over aan zijn kinderen. Graaf van Urgel en Cerdanya in 870, ontving in 878 de graafschappen Barcelona, ​​Gerona en Besalú van de Karolingische koningen. Bij zijn dood in 897 viel de eenheid uiteen, maar de kern gevormd door de graafschappen Barcelona, ​​Gerona en Osona bleef onverdeeld. Op deze manier werd de patrimoniale basis gecreëerd voor het graafschapshuis van Barcelona, ​​dat door sectoren van de Catalaanse geschiedschrijving beschouwd wordt als het begin van de onafhankelijkheid van het Marca Hispánica van deze provincies, die in de 14e eeuw zouden worden samengebracht in het Vorstendom Cataluña.

De graven die Wifredo opvolgden aan het hoofd van het graafschap Barcelona behielden hun loyaliteit aan de Karolingers, zelfs ondanks pogingen van verschillende usurpatoren om de Frankische troon te bezetten. Zo werd tijdens het bewind van Karel de Eenvoudige de chronologie van zijn regeringsperiode gehandhaafd in de documenten van de graafschappen, maar deze gewoonte werd onderbroken tijdens de regering van Raúl de Borgoña, men keerde in 936 met Lodewijk IV van Frankrijk terug tot een herstel van de Karolingische macht. Hoe dan ook wordt er geen melding gemaakt dat graaf Suniario I de Barcelona hem persoonlijk hulde zou hebben gebracht of dat hij trouw aan hem gezworen zou hebben, hoewel er verschillende hooggeplaatste geestelijken en magnaten van het graafschap dit wel deden.

In 985 wordt Barcelona, toen geregeerd door graaf Borrell II (opvolger van Suniario), aangevallen en in brand gestoken door Al-Mansur die het op 6 juli, na een acht dagen durende belegering, plundert. Graaf Borrell II zocht zijn toevlucht in de bergen van Montserrat, in afwachting van de hulp van de Frankische koning, maar deze kwamen niet opdagen, wat grote onrust veroorzaakte. In het jaar 988 wordt evenmin melding gemaakt van dat de graaf van Barcelona, Borrell II, de eed van trouw aan de Frankische koning zou hebben afgelegd, ondanks het feit dat deze hier schriftelijk om had verzocht. Deze daad wordt over het algemeen geïnterpreteerd als het beginpunt van de feitelijke onafhankelijkheid van het graafschap Barcelona.

 

Het leven aan de grens


In de 10e eeuw was er geen precieze afbakening tussen de ene en de andere kant van wat we vandaag de dag de “grens” zouden noemen die de graafschappen van de Marca Hispánica van al-Andalus scheidde. Er was een soort niemandsland ontstaan waarvan de inwoners vaak onderworpen waren aan de burgerlijke en religieuze autoriteiten waarvan de zetel zich aan de andere kant bevond.

Ook was de scheidingsstrook tussen het christelijke en het moslimdomein niet overal even breed. In de omgeving van Lérida en Balaguer was deze strook smaller, deels vanwege de macht van deze twee moslim-enclaves en deels vanwege het voortbestaan van christelijke gemeenschappen die een belangrijke relatie moesten onderhouden met hun gelijkgezinde aan de andere kant van de grens. daar staat tegenover dat de grens naar het zuidwesten van Barcelona veel breder was en waar in de loop van de eeuw kastelen begonnen te verschijnen, die op hun beurt weer nieuwe kolonisten aantrokken. Deze kastelen, die vroeger op pieken of andere punten met een hoge zichtbaarheid stonden, vormden geleidelijk aan een netwerk dat reageerde op elke beweging of project tot zowel verdediging als overheersing van het omringende grondgebied. Van andere zijden breidde, in de dalen en vlakten, de religieuze gebouwen zich uit. Deze vormden een tweede territoriaal netwerk, gepromoot door abten, bisschoppen en magnaten, dat de vermenigvuldiging van de bevolkingscentra aangaf.

 

Het einde van de Marca Hispánica


Het imperium van de Almoraviden.

Met het uiteenvallen van het kalifaat van Córdoba aan het begin van de 11e eeuw, werd de verdediging van het onder islamitische heerschappij staande gebied, overgelaten aan de taifas die aan het grensgebied lagen. Deze moesten het islamitische gebied verdedigen tegen de koninkrijken en graafschappen die voorheen de Marca Hispánica vormden en nu, onafhankelijk van de Frankische monarchie, hun domein steeds meer wilde uitbreiden. Hiervoor aarzelden de heersers van de taifas niet om hun toevlucht te nemen tot christelijke huursoldaten. Het was dus waarschijnlijk in de slag bij Graus (1063) waar Rodrigo Díaz de Vivar, bekend als El Cid Campeador, Mio Cid of simpelweg El Cid (van het Arabische dialect سيد, sīd, “meneer”), voor het eerst strijd voerde als legerleider van zijn huurling-troepen, onder het bevel van de Taifa-koning van Zaragoza Al-Muqtadir, die hoe dan ook, na zijn dood, en zoals zijn vader al had gedaan, het koninkrijk opnieuw verdeelde door zijn zoon Al-Mutamin Zaragoza en het gebied te leveren Occidental, en zijn zoon Al-Mundir, Lérida, Tortosa en Denia.

Koning Ramiro I van Aragon had van zijn kant al herhaaldelijk geprobeerd de islamitische steden Barbastro en Graus over te nemen, strategische plaatsen die een wig tussen hun gebieden vormden. Barbastro was de hoofdstad van het noordoostelijke district van de Taifa van Zaragoza en deze stad bood onderdak aan een belangrijke markt.

In 1063 belegerde Ramiro I Graus, maar Al-Muqtadir zelf, die een leger leidde dat een contingent Castiliaanse troepen onder het bevel van Sancho II de Castilla omvatte, broer van Alfonso VI de León, die onder zijn legers een jonge Castiliaan genaamd Rodrigo Díaz de Vivar had, wist de Aragonezen, die hun koning Ramiro I in deze strijd verloren, af te weren. Het succes was van korte duur, want de opvolger van de troon van Aragon, Sancho Ramírez, nam in 1064 met de hulp van troepen uit de Frankische graafschappen van de Ultra-Pyreneeën en samen met Armengol III, graaf van Urgel, die in deze strijd stierf, Barbastro in. Deze strijd wordt beschouwd als de eerste bekende oproep tot de kruistocht.

Het jaar daarop reageerde Al-Muqtadir door de hulp van al-Ándalus in te roepen en in 1065 de jihad en de herovering van Barbastro in te roepen. Deze triomf gaf Al-Muqtadir het recht om de eretitel van Billah (“De machtige dank aan Allah”) te gebruiken, en Barbastro bleef in de handen van de Taifa van Zaragoza tot Armengol IV, graaf van Urgel, het weer veroverde, al onder het bewind van Al-Musta’in II.

De komst van de Almoraviden vormde een tijdelijke rem op deze expansie: zij versloegen Alfonso VI de León in de slag bij Zalaca in 1086 en namen de Taifa-koninkrijken over. Ze beschermden hen tegen de christenen en hielpen hun economie met de invoering van een nieuwe munt, maar hun militaire bezetting zorgde voor een groeiend ongenoegen. In 1090 herenigde het rijk van de Almoraviden de Taifa’s als protectoraten onder de centrale macht van Marrakech en zij verwijderden alle koningen van de Taifa’s, behalve Al-Mustain, die goede betrekkingen onderhield met de Almoraviden. Hierdoor bleef het een onafhankelijk grenskoninkrijk, aangezien het, een voorhoede voor al-Ándalus tegen de Christenen vormde, en daarmee het enige territorium was dat de eenwording van de Almoraviden verhinderde.

Na een derde verovering op de islamieten werd Barbastro in 1101 definitief hersteld door koning Pedro I de Aragón, die er, met toestemming van de paus, een bisschopszetel van maakte door de zetel van Roda de Isábena te verplaatsen.

Petronila van Aragon in een genealogie uit de tijd van Martin I de Humane. Daarin verschijnt (“Peronella:reyna”) met koninklijke attributen (kroon, scepter, evenals de erfgenaam van het koninkrijk, Alfonso II van Aragon), samen met graaf Ramon Berenguer IV die de trouwring aanbiedt.

In 1137 vond er een van de belangrijkste historische gebeurtenissen in de stad plaats: in de omgeving van  Entremuro werd de verloving van Ramon Berenguer IV, en Petronila, dochter van Ramiro II ‘el Monjeondertekend door de graaf van Barcelona. Het huwelijk vond veel later plaats, in augustus 1150, in Lérida, dat een jaar eerder in handen was gevallen van Ramon Berenguer IV en graaf Ermengol VI de Urgel.

Al in het begin van de 12e eeuw had graaf Ramon Berenguer III (1082-1131) van Barcelona het graafschap Besalú (1111) (door een huwelijksverbond), dat van Cerdanya (1117 of 1118) (door vererving) in zijn domeinen opgenomen en een deel van het graafschap Ampurias (tussen 1123 en 1131) veroverd. Voorbij de Pyreneeën controleerde hij ook het graafschap Provence (vanaf 1112), dat hij na zijn dood aan zijn tweede zoon Berenguer Ramon naliet. Andere graafschappen, zoals Pallars, Urgel, Roussillon of Ampurias zijn later, tussen het laatste derde deel van de 12e en 14e eeuw, bij de Kroon van Aragón gekomen.

Ramón Berenguer IV

Ramon Berenguer IV ‘el Santo ontving, bij de dood van zijn vader in 1131 het graafschap Barcelona, terwijl zijn tweelingbroer Berenguer Ramon hem in de Provence opvolgt. Als dank voor zijn steun, tegen de Castilianen, bood Ramiro II de Aragón hem zijn eenjarige dochter Petronila ten huwelijk aan.

Ramiro gaf het koninkrijk Aragón aan zijn schoonzoon, maar niet zijn koninklijke waardigheid, die rechtmatig was toegekend aan het Huis van Aragón, door zijn voorouder Sancho III ‘el Mayor van het koninkrijk Navarra. Ramon Berenguer tekende vanaf nu als graaf van Barcelona en prins van Aragón. Ramiro liet het bewind over aan zijn schoonzoon maar niet zijn titel van koning, want hij bleef de Heer van het Huis van Aragón tot Alfonso II volwassen werd en terugkeerde van het klooster. Zo vervulde Ramiro II, zoon van de koning van Navarra Sancho Ramírez, de missie om de monarchie te redden en zo zou ook het Koninkrijk Aragón verenigd worden met het graafschap Barcelona. In maart 1157 werd in Huesca de eerstgeborene van het door Ramon Berenguer en Petronila gevormde paar geboren, genoemd naar zijn vader: Ramon Berenguer, die zou regeren onder de naam Alfonso II ter ere van Alfonso I, de eerste koning van de Kroon van Aragón en tevens graaf van Barcelona.

De datum waarop de Catalaanse graafschappen formeel onafhankelijk werden van Frankrijk was 11 mei 1258 met het verdrag dat in Corbeil werd gesloten tussen Jaime I de Aragón ‘el Conquistador‘, en de koning van Frankrijk Lodewijk IX. In dit verdrag gaven beide koningen rechten af op gebieden, Jaime I op Occitaanse gebieden en de Franse koning op de Catalaanse graafschappen, die uiteindelijk afhankelijk werden van de monarch van de Kroon van Aragon.

De vroege geschiedenis van Andorra, in de Pyreneeën, levert een typisch voorbeeld van de ontwikkeling van de feodale heren en het is bovendien de enige zelfstandig overlevende van de Spaanse Mark. Alle andere graafschappen gingen uiteindelijk op in nationale staten.

 

Naar boven
Spaanse Verhalen. spaanseverhalen.com
Laatst bijgewerkt 2020-09-09

Bronvermelding en referenties

{{Bronvermelding Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Marca Hispánica| oldid=126405232| datum=20200905}}
{{Bronvermelding Nederlandse Wikipedia|taal=nl|titel=Spaanse Mark|oldid=56243748| datum=20200905}}