Urraca I de León

Urraca I de León ‘la Temeraria’

1109 – 1126

Urraca I de León (León, 24 juni 1081 – Saldaña, 8 maart 1126), door haar tijdgenoten en de historici uit die tijd ‘la Temeraria‘ (de Stoutmoedige (dapper en roekeloos)) genoemd. Zij was koningin van León tussen 1109 en 1126. De dochter en opvolgster van Alfonso VI en koningin Constanza de Borgoña, en werd opgevolgd door haar zoon Alfonso VII.

Ga naar:

Oorsprong van de familie


Dochter van Alfonso VI en koningin Constanza de Borgoña, van vaderskant waren haar grootouders Fernando Ikoning van León en graaf van Castilla, en zijn vrouw Sancha de León, dochter van Alfonso V. haar grootouders van moederskant waren de hertog van Robert I van Bourgondië, zoon van Robert II van Frankrijk tweede Franse monarchen van de dynastie Capet, en zijn vrouw Hélie de Samur.

Gravin gemalin van Galicia


Zij was de eerste dochter van Alfonso VI en zijn tweede vrouw Constanza de Borgoña. Door de geboorte van haar halfbroer Sancho Alfónsez in 1093 werd zij verwijderd uit de lijn van troonopvolging van haar vader. Datzelfde jaar stierf haar moeder, koningin Constance.

Kort voor februari 1093 trouwde Urraca met Raimundo de Borgoña, een Bourgondische edelman die na de slag bij Sagrajas in León aankwam in antwoord op de oproep die Alfonso VI tot het Europese christendom deed met de bedoeling een kruistocht te organiseren tegen de Almoraviden die zijn koninkrijken teisterden. 

Middeleeuws miniatuur van koningin Urraca I de León.

Koningin van León
Voorganger Alfonso VI de León
Opvolger Alfonso VII de León
Andere titels
Koningin gemalin van Pamplona
Voorganster Berta de Aragón
Opvolgster Margarita de l’Aigle
Persoonlijke gegevens
Regerende periode 1109 – 1126
Geboren 24 juni 1081, León
Overleden 8 maart 1126 (44 jaar)
Kasteel van los Condes, Saldaña
Begraven Pantheon van de koningen van San Isidoro te León
Persoonlijke gegevens
Dynastie Jimena
Vader Alfonso VI de León
Moeder Constanza de Borgoña
Echtgenoten Raimundo de Borgoña
Alfonso I de Aragón
Nakomelingen Alfonso VII
Sancha Raimúndez

Aangenomen wordt dat hij in 1086 of 1087 op het schiereiland aankwam, in het gevolg van zijn zwager hertog Eudes, wiens poging om Tudela in te nemen mislukte. Na de mislukte belegering gingen de Bourgondiërs naar León om de koningin – de tante van Eudes – te bezoeken en vrijwel onmiddellijk werd Urraca verloofd met Raimundo en misschien zelfs met hem getrouwd, hoewel zij nauwelijks acht jaar oud was en te jong om te trouwen volgens het kerkelijk recht. Urraca, gravin gemalin van Galicia, bestuurde samen met haar echtgenoot de gehele Atlantische kust van het schiereiland, van de grens met de moslimgebieden in het zuiden tot de Cantabrische kust van Galicia.

De vlag van Galicia.

Het echtpaar had twee kinderen: Sancha en Alfonso. De geboorte van de eerste is onbekend, want die was vóór 1095, en de tweede werd geboren in 1105. Alfonso Raimúndez werd voor zijn opvoeding toevertrouwd aan Pedro Froilaz en zijn vrouw. De opvoeding van Sancha werd toevertrouwd aan Elvira, de tante van Urraca, zuster van Alfonso VI.

In 1096, na het huwelijk van een andere dochter van Alfonso VI, Teresa de León, met Enrique de Borgoña, deelde de vorst Galicia in tweeën: het Koninkrijk Galicia werd toegekend aan Urraca en Raimundo, en het graafschap Portucalense, dat het land tussen de rivieren Duero en Miño omvatte, kwam als bruidsschat aan Teresa en Enrique toe en zou uiteindelijk het onafhankelijke koninkrijk Portugal doen ontstaan.

Een litho van Urraca gemaakt in de 19e eeuw.

Raimundo stierf in Grajal, in aanwezigheid van zijn echtgenote, de bisschop van Santiago en de koning, in september 1107. Urraca volgde haar overleden echtgenoot op in de heerlijkheid van het westelijk deel van het koninkrijk van León. Haar land omvatte Galicia, de streek van Zamora en het zuidwesten van León, met inbegrip van Coria, Salamanca en Ávila. Tegen die tijd was zij een volwassen vrouw van zevenentwintig jaar met twee kinderen (Sancha en Alfonso) en mogelijk nog zeven andere mislukte zwangerschappen. Tot dan lijkt zij een ondergeschikte positie te hebben bekleed, in de schaduw van haar echtgenoot; na diens dood kreeg zij een leidende rol in de regionale politiek, die zij nooit meer verloor.

Men vermoedt dat zij het lichaam van haar man vergezelde naar Santiago de Compostela, in wiens nieuwe Romaanse kathedraal hij werd begraven, en dat zij in Galicia bleef, waarschijnlijk om haar heerschappij over de regio veilig te stellen. Urraca behield de heerschappij over Galicia, op voorwaarde dat zij ongehuwd bleef; als zij hertrouwde, zou het bestuur van de regio overgaan op haar zoon Alfonso, zoon van haar overleden eerste man.

Het koninkrijk León


De gang naar de troon

Op 30 mei 1108 sneuvelde haar broer Sancho Alfónsez in de slag bij Uclés, waarin de Almoraviden zegevierden. De dood van de enige mannelijke afstammeling van Alfonso VI maakte van Urraca, die in september van het voorgaande jaar weduwe was geworden, de meest geschikte kandidaat om haar vader op te volgen, die de edelen van het koninkrijk in Toledo bijeenriep en hen op de hoogte bracht van het feit, ongewoon in de geschiedenis van het koninkrijk maar niet ongehoord, dat zij degene was die was uitverkoren om hem op te volgen. De edelen aanvaarden de koninklijke benoeming, maar eisen dat Urraca een nieuw huwelijk aangaat. Onmiddellijk komen verschillende kandidaten naar voren om met de erfgename van de troon te trouwen, waaronder de graaf Gómez González en graaf Pedro González de Lara. Alfonso VI, die vreesde dat de rivaliteit tussen de Castiliaanse en Leonese edelen zou toenemen. Alfonso besluit om de Aragonese koning Alfonso I de Aragón ‘el Batallador’ te laten trouwen met zijn dochter Urraca, ondanks protesten van haar alswel een deel van de adel, die het niet eens waren met de voorkeuren van de koning. Urraca was naar Segovia gegaan met de Galicische versterkingen die de koning moesten helpen bij de verdediging van de zuidgrens van het koninkrijk na de ramp bij Uclés begin juli 1108.

Het huwelijk werd in september, of meer waarschijnlijk, in oktober 1109 in het kasteel van Monzón de Campos, met Pedro Ansúrez, als beheerder van het kasteel, en dus als beschermheer van het paar. De adel en de geestelijkheid die de begrafenis van Alfonso, die op 1 juli was overleden – hadden bijgewoond, besloten de wens om de nieuwe koningin met de Aragonese vorstin te huwen, te vervullen, ondanks het verzet en het gebrek aan enthousiasme van deze laatste voor het huwelijk.

Eerste fase (1109 -1110)

Strijd met de Almoraviden

De eerste taak van de koningen was de opmars van de Almoraviden. In de zomer van 1109 hadden de Almoraviden een aantal belangrijke steden in het zuiden ingenomen: Talavera de la Reina, Madrid en Guadalajara. In 1110 versloegen zij graaf Enrique de Borgoña (haar zwager) bij Santarem, dat zij op 26 mei 1111 veroverden. In het oosten ondernam Al-Musta’in II van Saragossa, aangemoedigd door de Almoravidische overwinningen in het westen, een wintercampagne tegen Aragon. De koningen kwamen uit Sahagún en Alfonso I de Aragón versloeg en doodde de emir van Saragossa in de slag bij Valtierra op 24 januari 1110.

Verzet tegen het huwelijk

Het huwelijk tussen Urraca en Alfonso I de Aragón begon met het verzet van verschillende politieke facties die om zeer verschillende redenen tegen de verbintenis gekant waren. De eerste factie bestond uit de Franse geestelijkheid, die versterkt was door de Bourgondische afkomst van Urraca’s eerste echtgenoot en die vreesde haar privileges en invloed te verliezen. De hoge geestelijkheid was in het algemeen vanaf het begin tegen Urraca’s tweede huwelijk. Zij stonden op slechte voet met de Aragonese koning en waren de voornaamste voorstanders van Urraca’s latere solo-regering. Een tweede factie was gevestigd in Galicia en haar afwijzing van de verbintenis tussen Urraca en Alfonso werd gemotiveerd door het verlies van de rechten van Urraca’s zoon, Alfonso Raimúndez, op de Leonese troon. Vanaf het begin was deze sector verdeeld in twee tendensen: de ene geleid door de bisschop van Santiago de Compostela, Diego Gelmírez, die de positie van de jonge Alfonso als Urraca’s opvolger verdedigde; en de andere geleid door Pedro Froilaz, graaf van Traba en leermeester van prins Alfonso, die voorstander was van de onafhankelijkheid van Galicia, waarvan de troon door Alfonso zou worden bezet. Een derde groep die tegen het koninklijk huwelijk was, was aan het hof zelf gevestigd en werd geleid door graaf Gómez González, wiens verzet werd ingegeven door zijn vrees voor machtsverlies, een gevoel dat spoedig werd bevestigd toen Alfonso I Aragonese en Navarrese edelen benoemde op belangrijke openbare posten en als gouverneurs van de kastelen en enclaves van León en Castilla plaatste.

Het was de graaf van Traba die vanuit Galicia de eerste agressieve beweging tegen de monarchen op gang bracht toen hij de erfelijke rechten van de jonge Alfonso opeiste. Als antwoord op de Galicische opstand leidde Alfonso ‘el Battalador’ begin mei 1110 zijn leger naar Galicia; hij herstelde de orde in het opstandige graafschap nadat hij de Galicische troepen bij het kasteel van Monterroso had verslagen. De veldtocht was echter niet geheel succesvol en moest na drie maanden worden opgegeven. De koningin, die haar man naar het gebied had vergezeld, verliet hem spoedig en keerde naar León terug, ontstemd over de executie van een rebel die zich had overgegeven. Astorga weigerde Alfonso bij zijn terugkeer van de veldtocht zijn deuren te openen, en tegelijkertijd had de paus zijn verzet tegen de verloving tussen Urraca en Alfonso kenbaar gemaakt. De koningin besloot, na overleg met verscheidene bisschoppen, zich af te scheiden van Alfonso, die in allerijl naar Aragón moest vertrekken om het hoofd te bieden aan de dreiging van de Almoraviden, die in de zomer bezit hadden genomen van Saragossa. De echtelieden schijnen slecht met elkaar te hebben kunnen opschieten: Alfonso was vrouwenhatend en gewelddadig, en Urraca beschuldigde hem er zelfs van haar te hebben mishandeld. Waarschijnlijk in juli kwam de curie bijeen om de pauselijke veroordeling van Urraca’s huwelijk te bespreken – afgewezen wegens de bloedverwantschap tussen de echtelieden – en keurde zij de scheiding van het echtpaar goed. Alfonso’s onvermogen om het huwelijk met geweld op te leggen aan degenen die het afwezen, het ontbreken van een erfgenaam en het verzet van de paus tegen het huwelijk deden het huwelijk mislukken. In augustus 1110 leidde de koningin een mars naar Saragossa, hoewel niet bekend is of zij dit deed om met haar echtgenoot samen te werken of om de taifa tegen Aragón te steunen, zoals haar vader in het verleden had gedaan, en in oktober was zij naar Burgos teruggekeerd.

De Galicische opstand tegen de koninklijke macht was slechts het begin van een reeks politieke en oorlogszuchtige conflicten die de tegengestelde karakters van Urraca en Alfonso en hun wederzijdse antipathie in de opeenvolgende jaren in de hand werkten en die de Hispaanse koninkrijken in een voortdurende burgeroorlog dompelden. In de tweede helft van 1110 verzamelde de koningin steun in het gehele koninkrijk; zij verkreeg die in Castilia, León, La Rioja, Castiliaans Extremadura en een deel van Galicia. Tegen het einde van het jaar was haar positie zo sterk geworden dat Alfonso met haar kwam onderhandelen tijdens de kerstfeesten die in Sahagún werden gehouden.

Er ontstonden al snel twee stromingen in de oppositie tegen het huwelijk aan het hof zelf. De ene steunde Alfonso als vorst en bestond uit een deel van de adel en de burgerij van de steden langs de Camino de Santiago, die zich graag wilden ontdoen van de kerkelijke heerlijkheden. De andere factie steunde Urraca en werd gevormd door een ander deel van de adel en de geestelijkheid, die zich actief inzetten voor de kerkelijke nietigverklaring van het huwelijk, met het argument voor paus Pascual II dat het huwelijk incestueus was, vanwege de bloedverwantschap tussen de echtgenoten (beiden waren achterkleinkinderen van Sancho Garcés III van Pamplona). De paus dreigde de monarchen met excommunicatie als zij het huwelijk niet nietig verklaarden. De koningin bevestigde, zoals Jerónimo Zurita schrijft in de Annalen van de Kroon van Aragon, dat:

Alfonso I de Aragón, tweede echtgenoot van Urraca I de León.

  ... aunque el matrimonio se efectuó muerto el rey, su padre, con voluntad y orden los grandes de su reino, fue contra la suya y que recibió muchos denuestos y se le hicieron malos tratamientos por el rey de Aragón y que usaba gran tiranía y echó a los obispos de Burgos y León de sus iglesias, y prendió al de Palencia, y desterró al obispo de Toledo por dos años de su diócesis siendo legado de la sede apostólica, y que sacó del Monasterio de Sahagún al abad y puso en él a don Ramiro, su hermano. Era la pasión tan terrible, que la reina afirmaba que con gran furor y odio procuraba la muerte del infante, creyendo suceder en el reino. Y con esto iban incitando y conmoviendo contra él los pueblos.
… hoewel het huwelijk plaatsvond na de dood van de koning, haar vader, ontving zij veel verwijten en mishandelingen van de koning van Aragon, en dat hij grote tirannie gebruikte en de bisschoppen van Burgos en Leon uit hun kerken verdreef, de bisschop van Palencia arresteerde en de bisschop van Toledo voor twee jaar uit zijn bisdom verbande als legaat van de Apostolische Stoel, en dat hij de abt uit het klooster van Sahagún verwijderde en er Don Ramiro, zijn broer, in plaatste. De hartstocht was zo verschrikkelijk dat de koningin verklaarde dat zij met grote woede en haat de dood van het kind zocht, in de overtuiging dat het in het koninkrijk zou gebeuren. En daarmee hitsten zij het volk op en zetten het tegen hem op.

Urraca besloot afstand te nemen van Alfonso en zocht haar toevlucht in het klooster van Sahagún. Alfonso I vernam dat de aartsbisschop van Toledo een nietigverklaring van zijn huwelijk nastreefde. Dit feit, samen met geruchten dat de koningin een verhouding had met graaf Gómez González, deed hem besluiten Urraca gevangen te zetten in de vesting El Castellar en zijn leger te leiden tegen al die plaatsen in León, Galicia en Castilla die voor Urraca waren. Alfonso I veroverde Palencia, Burgos, Osma, Orense, Toledo (in april 1111) , waar hij de aartsbisschop afzette, en Sahagún, waar hij ook de abt van het klooster afzette.

Koninklijk klooster van San Benito, Sahagún, León, de schuilplaats van koningin Urraca voor haar echtgenoot Alfonso I de Aragón

Graaf Gómez González slaagde er samen met graaf Pedro González de Lara in de koningin te bevrijden, die haar toevlucht zocht in de vesting Candespina, gelegen in Fresno de Cantespino, in Segovia.

Tweede fase (1111 – 1114)

Terwijl graaf Enrique naar Frankrijk reisde om troepen te verzamelen om zijn bezittingen te verdedigen in de burgeroorlog die in het koninkrijk woedde, sloot Urraca een pact met de Galicische aanhangers van haar zoon. Als gevolg van deze overeenkomst voegde de jonge Alfonso zich formeel bij zijn moeder op de troon en werd op 11 september 1111 in Santiago de Compostela gekroond. In ruil daarvoor kreeg Urraca Galicische troepen waarmee zij haar echtgenoot kon bestrijden. De versterking van de positie van de koningin verontrustte graaf Enrique, die kort daarvoor uit Frankrijk was teruggekeerd, en zich bij de Aragonese koning aansloot om de situatie in evenwicht te brengen. De confrontatie met de Aragonese vorst en zijn aanhangers in het koninkrijk dwong Urraca ertoe bepaalde rijkdommen uit de kerken te plunderen.

De twee partijen raakten slaags in de buurt van Sepúlveda in de slag bij Campo de la Espina of Candespina (26 oktober 1111), waarbij Alfonso zegevierde dankzij de militaire steun die hij kreeg van de graven van Portugal Teresa en Enrique, Urraca’s halfzuster en zwager. Jerónimo Zurita beschrijft de strijd op de volgende wijze:

Teresa de León, halfzus van Urraca.

  Comenzándose a herir de ambas partes la batalla, desamparó luego el conde don Pedro González el estandarte real, y salió huyendo del campo y el conde don Gómez con los castellanos de su batalla estuvo firme en ella, pero fueron a la postre desbaratados y vencidos y quedó el conde Gómez vencido y muerto en el campo.
Beginnend aan een verwoestende strijd van beide zijde, verlaat graaf Don Pedro González de koninklijke standaard, en vlucht weg van het slagveld en de graaf Don Gómez ging samen met de Castilianen een hevige strijd aan, dat uiteindelijk ten gronde gericht werd en verslagen, waarbij de graaf Gómez zelf het leven verliest op het slagveld.

Graaf Gómez, voormalig vaandrig van Alfonso VI, en voorkeurs kandidaat van de adel van het koninkrijk voor Urraca’s echtgenoot, had Urraca’s aanhangers in de strijd aangevoerd. Urraca, verslagen, zocht haar toevlucht in Burgos. Tegelijkertijd zond zij gezanten naar Enrique, met de belofte het koninkrijk met hem te verdelen, zoals de graaf en Alfonso de Aragon reeds waren overeengekomen. Enrique, die vreesde de Aragonese koning als machtige buur te hebben, veranderde van zijde en sloot een pact met Urraca. Alfonso sloot zich vervolgens op in het kasteel van Peñafiel, waar hij tevergeefs werd omsingeld door Enrique en Urraca. Toen de belegering mislukte, trokken zij zich terug in Palencia, waar zij de verdeling van het koninkrijk bespraken. Tegelijkertijd sloot Urraca, geconfronteerd met wat zij beschouwde als de buitensporige pretenties van haar zuster Teresa, geheime overeenkomsten met Alfonso. Terwijl Enrique vertrok om Zamora te ontvangen, gingen de twee zusters op weg naar Sahagún. Urraca had haar aanhangers in Palencia opdracht gegeven geen weerstand te bieden aan Alfonso’s opmars, die woedend was en zelfs de koningin verraste. Hij nam Teresa in Sahagún bijna gevangen en beangstigde Urraca, die besloot te vluchten en haar toevlucht te zoeken in de Galicische bergen.

Na de inname van Lugo, dat trouw was aan de Aragonese koning, marcheerde een Galicisch leger naar León, maar werd door León in een hinderlaag gelokt bij Viadangos. Het grootste deel van de overlevenden zocht zijn toevlucht in Astorga, dat Alfonso nog steeds vijandig gezind was. De bisschop van Compostela vluchtte met de jonge Alfonso, die zijn moeder overleverde. Hoewel de Aragonese vorst bijna het gehele koninkrijk, van Toledo tot León, beheerste en hij eind 1111 een pact sloot met Enrique, ondermijnde het gebrek aan legitimiteit om te regeren wat hij had veroverd, zijn positie. Hij had in het bijzonder de steun van de burgemeesters van talrijke steden: Carrión, Zamora, Nájera, Burgos, León of Sahagún. Urraca van haar kant genoot van haar eigen legitimiteit en de aanwezigheid van haar zoon aan haar zijde, maar het ontbrak haar op dat moment aan grote strijdkrachten of fondsen waarmee zij de oorlog met Alfonso kon bekostigen. In het voorjaar van 1112 hield zij ternauwernood Asturias en, met moeite, Galicia in handen.

In de herfst van 1112 lag het huwelijk met Alfonso volledig op de klippen en maakte Urraca zich eindelijk op om alleen te regeren. Zij had de loyaliteit van Asturias en León en, samen met haar zoon Alfonso – die nauwelijks zeven jaar oud was – die van Galicia, dat in feite bijna onafhankelijk werd bestuurd door bisschop Gelmírez van Santiago en graaf Pedro Froilaz, theoretisch namens de jonge Alfonso. Hoewel zij ook in Castilla sterke aanhangers had, was dit gebied hoofdzakelijk in handen van de Aragonese vorst, terwijl het westen van het koninkrijk in handen was van Teresa. Toledo was ook in de macht van Alfonso, hoewel Urraca de loyaliteit genoot van de aartsbisschop van Toledo en van Álvar Fáñez, heer van de oostelijke gebieden van het koninkrijk die door de vader van de koningin waren veroverd.

Urraca’s eerste doel was Castilië terug te krijgen. Dat begon met de overname van het kasteel van Cea in september 1112, waarmee zij de gebieden ten westen van de rivier de Carrión heroverde. Ook de gebieden van de bovenloop van de Duero, ten zuiden van Burgos, aanvaardden het gezag van de koningin en Toledo schijnt sinds juli 1111 in handen van de getrouwe Fáñez te zijn geweest. Vervolgens gaf het Aragonese garnizoen van Burgos zich over aan Urraca toen het geen hulp kreeg van Alfonso, die besloot het leger van Urraca niet te confronteren om de stad te helpen. De veldtocht tegen Burgos nam de gehele zomer van 1113 in beslag.

De koningin stuurde vervolgens hulp naar het kasteel van Berlanga, dat door de Zaragozanen werd bedreigd. Diezelfde zomer had Fáñez het koninkrijk Toledo alleen moeten verdedigen tegen herhaalde aanvallen van Almoraviden, waarbij hij het kasteel van Oreja verloor. Om de kritieke situatie van het koninkrijk het hoofd te bieden, werd in oktober in Palencia een curie bijeengeroepen. Tijdens deze curie, waarbij vele Galicische notabelen afwezig waren, werden verschillende administratieve problemen besproken en verschillende maatregelen goedgekeurd die neerkwamen op een oorlogsverklaring aan Teresa.

In 1114 verslechterde de situatie voor Urraca in het centrum van het schiereiland opnieuw: Fáñez stierf half april in een opstand tegen de koningin en het land van Segovia en Toledo sloot zich opnieuw aan bij Alfonso van Aragon, waarschijnlijk om van hem meer hulp te krijgen dan de magere hulp van het jaar daarvoor, noodzakelijk met het oog op de hernieuwde aanvallen van de Almoraviden, die de regio in juli en augustus in hun greep hielden. Om haar positie te versterken koos de koningin ervoor om te proberen haar macht in Galicia te consolideren, waarbij zij die van de bisschop van Compostela ondermijnde, die zij tevergeefs gevangen probeerde te nemen. Tegen het einde van het jaar kreeg Urraca nog meer tegenslagen te verduren: de burgers van Burgos, ontevreden over de verkiezing van hun nieuwe bisschop, onderwierpen de stad opnieuw aan Alfonso. Hetzelfde gebeurde in Sahagún en waarschijnlijk in Carrión. De koningin had verloren wat zij in de veldtocht van het voorgaande jaar had gewonnen. Alfonso’s gebrek aan legitimiteit behoedde Urraca opnieuw voor een totale nederlaag, en eind 1114 voerde zij opnieuw intensieve onderhandelingen om haar positie te verbeteren.

De overheid


Urraca I van León, geschilderd door José María Rodríguez de Losada tussen 1892-1894. Momenteel hangt het in het stadhuis van León.

Het dagelijks bestuur van het koninkrijk viel hoofdzakelijk onder de verantwoordelijkheid van de plaatselijke besturen, die met het schaarse personeel van de centrale regering van het koninkrijk in contact stonden door bezoeken aan het hof en, wat gebruikelijker was, door de komst van het hof in het gebied. Hoewel de koningin gewoonlijk de herfst en de winter in Sahagún of León doorbracht, reisde zij de rest van het jaar rond in de aan haar loyale gebieden, hoewel zij minder vaak naar Toledo en Asturias ging dan naar de rest van het koninkrijk. De centrale regering werd gewoonlijk gevormd door de vorst en de curie, die bij speciale gelegenheden uitgroeide tot een algemene curie. Er was geen echte ambtenarenstructuur of administratieve posten, en de kanselarij van het koninkrijk was nog in oprichting.

De assimilatie van het gebied tussen de Duero en de Taag, die in de vorige regeerperiode was begonnen, werd voortgezet, gebieden die voordien een periode van autonomie hadden doorgemaakt ten opzichte van het gezag van de christelijke heren in het noorden en de moslims in het zuiden. In dit gebied was de stad de ruggegraat van het bestuur van het gebied. De belangrijkste centra in het gebied waren onder meer Coria, Talavera, Toledo, Hita, Guadalajara, Segovia, Ávila, Salamanca, Medina del Campo en Olmedo.

Haar betrekkingen met de belangrijke bisschoppen van het koninkrijk – eenentwintig in die tijd – die, in het geval van die van Santiago, Orense, Oviedo, Palencia en Tuy, in hun streken aanzienlijke politieke macht bezaten, waren over het algemeen bevredigend, mede dankzij de samenwerking met Urraca van de aartsbisschop-primaat van Toledo. Hoewel zij slechts invloed kon uitoefenen op de benoeming van enkele van hen (die van Burgos, Lugo, Salamanca, Braga, Zamora, Sigüenza en Segovia), slaagde zij er in het algemeen in hen aan haar gezag te onderwerpen. Tijdens haar bewind werden enkele bisdommen ingesteld: die van Avila, Segovia, Zamora en Sigüenza, en Santiago klom in 1120 op tot de categorie van aartsbisdom.

Zoals al eerder opgemerkt was het hof in wezen een rondreizend ‘regering’: het bracht de winter door in de regio Sahagún-León, maar de rest van het jaar reisde het rond in het koninkrijk, met als doel het koninklijk gezag aanwezig te laten zijn in het gebied, informatie te verzamelen over wat er in het koninkrijk gebeurde en om het uit te buiten, door naleving te eisen van wat de Kroon toekwam.

Maar de vijandigheid die de halfzusters jegens elkaar koesterden, deed Urraca zich uiteindelijk verzoenen met haar echtgenoot Alfonso, en dwong de graven van Portugal zich terug te trekken op hun domeinen.

De huwelijksverzoening liep weer stuk toen Urraca een ontmoeting had met de Galicische adel en ermee instemde dat haar zoon Alfonso tot koning van Galicia zou worden uitgeroepen. De kroning vond plaats in Santiago de Compostela op 17 september 1111 en wekte de woede op van Alfonso I de Aragón dat gepaard ging met nieuwe botsingen tussen de vorsten gedurende het hele jaar 1112. Daaronder waren die in Astorga en Carrión de los Condes, die zouden eindigen met een nieuwe wapenstilstand, die het jaar daarop in Burgos werd verbroken, toen de koningin, gesteund door de troepen van de bisschop van Santiago de Compostela, Diego Gelmírez, de stad belegerde. Alfonso besloot daarop zijn territoriale aspiraties ten aanzien van de koninkrijken van zijn echtgenote te laten varen en, op grond van de argumenten van degenen die zijn huwelijk van meet af aan nietig hadden willen verklaren, Urraca te verstoten, hetgeen tijdens een concilie te Palencia in 1114 werd bekrachtigd.

Derde fase (1115 – 1126)

Het kasteel van Saldaña (Palencia) geboorteplaats van koningin Urraca.

De terugtrekking van Alfonso I wilde niet meteen zeggen dat daarmee ook de conflicten gelijk verdwenen waren, omdat deze zich opnieuw verplaatsten naar Galicia, waarin 1115 de graaf van Traba, Pedro Fróliaz, en de bisschop van Santiago de Compostela, Diego Gelmírez, probeerden de autonomie van de zoon van de koningin,  als onafhankelijke koning van Galicia te vergroten.

Geconfronteerd met de mislukte overeenkomst tussen bisschop Gelmírez en Urraca, kwamen Fróilaz en zijn zoon, die ten zuiden van de Duero en in het koninkrijk Toledo regeerden, in opstand tegen de vorstin en keerden terug naar Galicia. Urraca marcheerde tegen de rebellen, die Santiago evacueerden. De inval eindigde met een nieuw pact tussen de koningin en Gelmirez rond mei 1116, dat echter Fróilaz niet tevreden stelde. Terwijl Urraca in het zuiden van de streek een opstandige edelman achtervolgde, werd zij in het kasteel van Sobroso korte tijd omsingeld door de troepen van Fróilaz en haar zuster Teresa. Zij moest zich terugtrekken naar Santiago, vanwaar zij terugkeerde naar León, na een veldtocht van drie maanden in Galicia, die de macht van de koningin had aangetoond en haar mogelijke rivalen had verdeeld. Terwijl Urraca door Galicia marcheerde, versterkte Alfonso de Aragón zijn macht in La Rioja en oostelijk Castilla, hoewel hij in de herfst van 1116 Burgos en Sahagún was kwijtgeraakt, die hij herwon. Datzelfde jaar verrichtte Urraca een meesterzet die de Galicische partij en haar ex-man verzwakte: zij stond het bestuur van de gebieden ten zuiden van de Duero en het koninkrijk Toledo, waar haar macht schaars was, aan haar zoon Alfonso af. De Galicische notabelen verloren zo de voogdij over de erfgenaam en verzwakten tegelijkertijd de positie van de Aragonese vorst in de regio, die vanaf dat moment moest wedijveren met de aantrekkingskracht van de jonge Alfonso. De manoeuvre leidde ook tot het mislukken van de aspiraties van Teresa en haar zoon Alfonso Enriquez naar de troon van León, die vanaf dat moment de neiging hadden onafhankelijk te worden van het koninkrijk en zo een eigen Portugees koninkrijk te stichten. In feite was de regio sinds 1109 de facto onafhankelijk geweest dankzij het zwakke gezag van Urraca. Tegen het eind van het jaar had Urraca een groot deel van Castilla heroverd, haar macht in Galicia versterkt en de ambities van de aanhangers van haar zoon ten zuiden van de Duero omgeleid. Zij maakte zich toen op om te proberen Teresa te onderwerpen, waarvoor zij eerst een pact moest sluiten met de Aragonese koning, die zich op dat moment opmaakte om Zaragoza te veroveren; daarom stemde hij ermee in om in november en december 1116 met Urraca te onderhandelen.

León in de tijd van koningin Urraca. Het toont de eenentwintig bisdommen van het koninkrijk, de munthuizen (cecas), de belangrijkste koninklijke kastelen en de verdedigingslinie van de Duero, alsmede de belangrijkste gebieden die werden beheerst door Urraca’s tweede echtgenoot, Alfonso I de Aragón en haar halfzuster, de prinses Teresa.

Zo ging vanaf 1117 een derde deel van het koninkrijk, dat ruwweg begrensd werd door Talavera de la Reina, Osma en Zamora, en dat zowel Alfonso de Aragón en Teresa als de Almoraviden begeerden, maar dat Urraca had weten te behouden, in de praktijk als erfelijk rechthebbende over op haar zoon Alfonso, onder de voogdij van aartsbisschop Bernardo van Toledo. Atienza en Sigüenza werden in 1124, bijna aan het einde van Urraca’s regeerperiode, aan het grondgebied toegevoegd. Het gebied was, ondanks zijn omvang, dunbevolkt en nog steeds een grensgebied, waarin de kolonisten zich op wanordelijke wijze verspreidden. Het herbevolkingsproces was begonnen tussen de Duero en de Guadarrama ten tijde van Urraca’s grootvader, koning Fernando, en ten zuiden van de bergen ten tijde van haar vader, Alfonso VI. De voornaamste activiteit van de streek was veeteelt en de diefstal van vee van de moslimburen in het zuiden. In tegenstelling tot andere gebieden van het koninkrijk was het niet georganiseerd in graafschappen, maar in alfoces (gebied van een gemeente of een wijk, in de middeleeuwen) van steden, die werden bestuurd door hun eigen oorkonden. Het gezag van de heren, leken of kerkelijken, was toen schaars. Het gebied werd in de decennia van 1110 tot 1120 herhaaldelijk aangevallen door de Almoraviden, evenals de Galicische kust, maar de Leonezen wisten zich over het geheel genomen goed te verdedigen, mede in de hand gewerkt door de afstraffing die de vijand in het oosten had ondergaan door toedoen van ‘el Batallador’ (Alfonso de Aragón), die hen inmiddels de Ebro-vallei had ontnomen. De opeenvolgende aanvallen van de Almoraviden werden soms beantwoord met Leonese invallen en zelfs veroveringen, zoals die van Alcalá de Henares in 1118 of de latere verovering van Sigüenza. De Leonese omwentelingen, die reeds aan het einde van de vorige regeerperiode waren begonnen, dwongen hen ertoe bijna de gehele grens van de Taag af te staan, maar maakten geleidelijk plaats voor een evenwicht dat ten slotte verdween met de overwinning van de christelijke heren in de slag bij Las Navas de Tolosa een eeuw later.

In het late voorjaar van 1117 ging Urraca, ter voorbereiding van de veldtocht tegen Teresa, naar Santiago om te proberen het stadsbestuur te verzoenen met bisschop Gelmirez. Gelmirez en graaf Traba, de voogd van de jonge Alfonso, sloten een pact met Urraca, maar de bevolking, uit vrees voor een ongunstige behandeling, kwam in opstand en omsingelde hen in een toren van de kathedraal, die toen in aanbouw was, stak deze in brand en dwong hen de kathedraal te verlaten. Vervolgens ontkleedden en stenigden zij de koningin, totdat sommigen in staat waren de menigte tot bedaren te brengen. De vorstin werd bevrijd en verzamelde troepen die de opstandelingen deden capituleren. De bisschop kreeg het bestuur van de stad terug, die een zware boete moest betalen en de verbanning van de leiders van de opstand moest ondergaan. Na de overgave van de stad onderwierp de koningin haar aan een strenge repressie.

Deze opstand, is een goed voorbeeld van de stedelijke instabiliteit die kenmerkend was voor die periode in Europa, het was een teken van stedelijke dynamiek op de Camino de Santiago (Jacobsroute), net als het conflict tussen de burgers en de abt in Sahagún, dat duurde van 1110 tot 1117.

Eveneens in 1117 werd Urraca I in het kasteel van Sobroso omsingeld door de aanhangers van haar zoon en haar zuster Teresa de León, maar zij slaagde erin te ontsnappen en naar Santiago de Compostela terug te keren, zoals in de Historia compostelana wordt verhaald.

Het kasteel van Sobroso, Vilasobroso Mondariz, Galicia.

Na deze gebeurtenissen, die in juni moeten hebben plaatsgevonden, annuleerde Urraca de geplande campagne tegen Teresa en trok zich terug in León. Desondanks kon Urraca Toro en Zamora innemen, terwijl Teresa zich moest concentreren op het afweren van het offensief van de Almoraviden tegen Coimbra. In november 1117 trok de jonge Alfonso Toledo binnen, waarmee hij een einde maakte aan de macht van de Aragonese koning in de stad; hij nam, zoals deze laatste bleef doen, de titel van keizer aan.

Tussen januari en maart 1119 verbleef Urraca in Burgos, van waaruit zij de triomfen van Alfonso de Aragon op de Ebro volgde. Vanuit Burgos ging zij naar Palencia, waar zij belast was met de versterking van de oostgrens van het koninkrijk Toledo tegen mogelijke invallen van Almoraviden of Aragonezen. In de lente en de zomer kreeg zij te maken met een mislukte maar gevaarlijke samenzwering waarbij haar vroegere rentmeester, Guter Fernández, betrokken was, die in de lente haar minnaar graaf Pedro González de Lara korte tijd gevangen hield in het kasteel van Mansilla. De crisis eindigde niet met de vrijlating van Pedro González de Lara, want op 18 juli werd er in León zelf gevochten en werd de koningin omsingeld in het kasteel van de stad. De mislukte samenzwering, waarbij de koningin de betrokkenheid van de bisschop van Compostela schijnt te hebben vermoed, kan een reactie zijn geweest op wat de Galicische notabelen en een deel van de Leonese bevolking beschouwden als de buitensporige neiging van de koningin tot Castilla, Castiliaanse edelen domineerden het hof in die tijd, met de graaf van Lara aan het hoofd, en voor het sluiten van een pact met Alfonso de Aragon vanaf 1117. De vrees voor een mogelijke verzoening tussen de echtelieden had de mislukte staatsgreep tegen Urraca kunnen uitlokken. Begin september was de crisis voorbij en behield de koningin haar verzoenende houding met Aragon.

In 1120 trok Urraca naar Galicia en achtervolgde de aanhangers van graaf Pedro Froilaz met de medewerking van bisschop Gelmírez, met wie zij haar bondgenootschap hernieuwde. De koninklijke troepen staken vervolgens de Miño over en drongen het land van Teresa binnen, die dit niet kon verhinderen en belegerd werd in het kasteel van Lanhoso, ten noordoosten van Braga, terwijl Urraca’s leger de streek tot aan de Duero doorsnijdde. De tijdelijke overwinning op Teresa en de mogelijke kortstondige onderwerping van het gebied deden Urraca besluiten Gelmirez, die zij eind juli arresteerde, uit de weg te ruimen. De maatregel bleek een vergissing te zijn: de infante Alfonso liet de koningin in de steek en sloot zich aan bij de troepen van graaf Froilaz, die in de buurt van Santiago gelegerd waren, en de aanhangers van de gevangene kwamen in de stad in opstand en omsingelden de koningin in de kathedraal. Omdat zij er niet in slaagde de opstandelingen te bedwingen, moest Urraca de bisschop enkele dagen later vrijlaten, hoewel zij hem zijn landerijen en kastelen niet teruggaf. Dit bracht Gelmirez ertoe zijn krachten te bundelen met Froilaz, Teresa, die de minnares of echtgenote werd van graaf Fernando Perez de Traba, en de erfgenaam van de troon, een verbond dat Urraca probeerde te verstoren. In de herfst, geconfronteerd met de dreiging van excommunicatie door de paus Calixtus II, broer van haar eerste echtgenoot Raimundo en als zodanig oom van de zuigeling Alfonso, voor de gevangenneming van Gelmirez, stond de koningin bepaalde inkomsten uit de koninklijke landerijen af aan haar zoon Alfonso.

De mislukking van de onderhandelingen met Gerlmírez bracht Urraca ertoe naar Galicia op te rukken aan het hoofd van een leger dat, na verschillende manoeuvres, in het voorjaar van 1121 werd gelegerd bij Santiago, op de Pico Sacro, tegenover het leger dat door de bisschop van Compostela en dat van graaf Froilaz was bijeengebracht. De twee partijen vermeden een botsing door middel van een pact waarbij de koningin zich ertoe verbond de bezittingen van de bisschop vóór Kerstmis terug te geven. Het akkoord hield ook in dat op 25 augustus een curie zou worden gehouden om de problemen van het koninkrijk te regelen. In augustus 1121 werd tijdens de curie in Sahagún een nieuwe poging ondernomen om de koningin ten val te brengen en de jonge Alfonso tot koning uit te roepen. Hieraan werd voornamelijk deelgenomen door tegenstanders van de koningin en aanhangers van Gelmírez. De tussenkomst van paus Calixtus in november verijdelde de manoeuvre, terwijl Teresa van de moeilijkheden van haar zuster profiteerde om in de herfst de vallei van de Miño te heroveren.

Om het hoofd te bieden aan de avances van haar zuster in Galicia, trok Urraca het volgende voorjaar met haar zoon naar Galicia. In plaats van de confrontatie aan te gaan, sloten beide partijen een pact. Aan het einde van de zomer van 1122 trok ‘el Batallador’ door een groot deel van de Leonese gebieden ten zuiden van de Duero, tot aan Olmedo, waarschijnlijk om Alfonso Raimúndez en zijn leermeester de aartsbisschop van Toledo te dwingen het bestand in Castilla te handhaven dat hij sinds 1117 met Urraca had gesloten. De gebaren van de koning van Aragon in de regio waren voornamelijk verzoenend met Urraca en haar aanhangers, die de wapenstilstand met de naburige vorst lijken te hebben vernieuwd. Deze laatste drong tijdens de rest van Urraca’s regering niet meer door in de gebieden ten zuiden van de Duero, noch maakte hij aanspraak op deze gebieden, met uitzondering van Soria, hoewel hij wel met tussenpozen de keizerstitel bleef voeren.

In maart 1123 was Urraca in Galicia, waar zij haar verbond met bisschop Gelmirez hernieuwde en graaf Pedro Froilaz en zijn zonen gevangen liet nemen en hun bezittingen confisqueerde. Zij bleef de rest van de lente en de zomer in de regio en verstevigde haar greep erop. Daarna trok zij zuidwaarts naar Toledo, onderweg Segovia passerend, om de verovering van Sigüenza voor te bereiden, die plaatsvond in januari van het volgende jaar.

Op 25 mei 1124 sloeg bisschop Gelmirez Alfonso, net negentien jaar oud, tot ridder, waarschijnlijk met instemming van de koningin, die echter niet aanwezig was bij de plechtigheid, die in Santiago werd gehouden. De daad markeerde de volwassenwording van Urraca’s zoon. De broze gezondheid van de aartsbisschop van Toledo betekende dat Alfonso’s macht ten zuiden van de Duero groeide, maar voor het overige veranderde de situatie van het koninkrijk niet wezenlijk: de koningin bleef het centrum beheersen; Alfonso de Aragón het oosten van Castilla; Teresa het zuidwesten; en prins Alfonso de zuidelijke gebieden. Het is mogelijk dat de koningin de zomer en de herfst van dat jaar in Galicia doorbracht, waar de onrust en de invallen van Teresa aanhielden. Urraca’s pogingen om haar zuster te onderwerpen mislukten en zij behield het toekomstige Portugal en het zuiden van Galicia in haar macht tot de dood van de koningin in 1126. Urraca was niet in staat te profiteren van de invallen van de Aragonese koning op het Almoravidisch gebied en de daaruit voortvloeiende vrede in het oosten van het koninkrijk om het westen aan haar gezag te onderwerpen.

In het late voorjaar van 1125 waren Urraca en Alfonso in Galicia, de laatste keer dat zij samen waren. De koningin vertrok vervolgens naar Castilla, waar zij in de lente van het volgende jaar overleed, op 8 maart 1126 in Saldaña (44 jaar oud). Datzelfde jaar zou haar zoon Alfonso, die uit Galicia was gekomen, ook tot koning van León worden gekroond, als Alfonso VII van León, later de Keizer genoemd. De keizer was er snel bij om de heerschappij van zijn moeder te verachten en haar tot de vergetelheid te veroordelen. De kronieken van de 12e en 13e eeuw waren ook tegen de figuur van Urraca, die werd bekritiseerd om haar hartstochten en neigingen die met haar vrouwelijk geslacht in verband werden gebracht.

Van de laatste jaren van Urraca’s heerschappij is weinig bekend door het gebrek aan duidelijke documenten. Uit studie blijkt dat de burgeroorlog niet ophield tot haar dood in 1126.

Begravenis


Pantheon der koningen van San Isidro de León, waar het lichaam van Urraca I de León begraven werd.

Nadat zij overleed was in Saldaña werd het lichaam van Urraca overgebracht naar León, waar zij werd begraven in het Pantheon der koningen van San Isidoro de León, waarmee de traditie van de koningen van León, om daar begraven te worden, werd hersteld, een traditie die door haar vader, Alfonso VI de León, werd verbroken. (Haar vader Alfonso VI de León, werd samen met zijn vrouwen, waaronder de moeder van Urraca, Constanza de Borgoña, begraven in het klooster van San Benito de Sahagún). Haar stoffelijk overschot werd bijgezet in een eenvoudige marmeren tombe, die nu verdwenen is. Op het deksel van de tombe was de beeltenis van de koningin uitgehouwen en op het graf werd het volgende Latijnse grafschrift uitgehouwen:

    H. R. DOMNA URRACA REGINA, MATER IMPERATORIS ALFONSI, HOC URRACA JACET PULCRO REGINA SEPULCHRO. REGIS ADEFONSI FILIA QUIPPE BONI. UNDECIES CENTUM DECIES SEX QUATUOR ANNOS MARTIS MENSE ORAVI, CUM MORITUR NUMERA.
Hier ligt Doña Urraca, moeder van keizer Alfonso. Hier ligt de mooie koningin Urraca begraven. Haar zoon koning Alfonso was goed voor haar. 1116, (vier jaar, de maand maart, na haar dood).

Huwelijk en nakomelingen

Koningin Urraca trouwde in eerste instantie met graaf Raimundo de Borgoña, zoon van de paltsgraaf Willem I van Bourgondië. Ze verloofde in 1087 en het huwelijk werd pas voltrokken in 1095 in Toledo. Uit dit eerste huwelijk werden de volgende kinderen geboren:

  • Sancha Raimúndez (voor 1095 – 1159). Zij was de oudste dochter uit het huwelijk en bleef ongehuwd.
  • Alfonso VII de León (1105 – 1157) Volgde zijn moeder op op de tronen van León en Castilla.

Ze ging een tweede huwelijk aan met Alfonso I ‘el Batallador’, koning van Aragón. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Het huwelijk werd nadien nietig verklaard vanwege bloedverwantschap van de twee verdragsluitende partijen.

Daarna onderhield zij een affaire met graaf Gómez González, voormalig luitenant van haar vader, hoofd van het Castiliaanse Huis van Lara, die in de herfst van 1111 overleed. Toen deze stierf, koos zij voor zijn neef, graaf Pedro González de Lara. Volgens de oude kronieken, verteld door Jerónimo Zurita, was graaf Pedro González de Lara, zoon van Gonzalo Núñez, tenente in Lara en Osma, en van Goto Núñez, die het voorrecht van de koningin genoot,

    .… nunca perdonó a su mismo honor ni hizo diferencia de los maridos a los adúlteros, pensó en casar con ella, y poníase muy delante en los negocios de todo el reino, presumiendo de mandar y vedar como absoluto señor. Pero ella no se sabía sujetar ni a su afición ni a la ajena.
…Hij vergaf nooit zijn eigen eer, noch maakte hij enig onderscheid tussen echtgenoten en echtbrekers; hij dacht er aan met haar te trouwen, en hij zette zichzelf ver vooruit in de aangelegenheden van het gehele koninkrijk, zich voornemend te bevelen en te verbieden als absoluut heer. Maar zij wist niet hoe zij zich moest onderwerpen, noch aan haar eigen genegenheid, noch aan die van anderen.

De graven en rijke mannen van Castilla stemde niet in met het huwelijk en Gutierre Fernández de Castro arresteerde graaf Pedro en sloot hem op in het kasteel van Mansilla.

Uit haar relatie met graaf Pedro González de Lara zijn ten minste twee kinderen geboren, beide gedocumenteerd.

  • Elvira Pérez de Lara (ca. 1111 – 1174). Haar eerste huwelijk met García Pérez de Traba, zoon van graaf Pedro Froilaz, volgens een verklaring in een document van 1138 waarin zij als gravin wordt bevestigd:
    Gelvira domini Petri et reginae domne Urraccae filia pro anima viri domino Garcia comitis domini Petri filius et dominae Maioris.
Gelvira dochter van de heer Pedro en koningin Urraca voor het leven van de heer García, zoon van graaf Pedro en groter, belangrijker

Nadat zij weduwe werd en overeenkomstig de wensen van haar halfbroer Alfonso VII, rond 1128 trouwde met Beltrán de Risnel van wie zij geen nakomelingen kreeg.

  • Fernando Pérez Furtado (ca. 1114 – 1156) zo genoemd omdat hem een erfenis werd ontnomen omdat hij een bastaard was (Hurtado betekent “gestolen”). Hij verschijnt voor het eerst in een document van 1123 als Fernandus Petri minor filius. Hij nam deel aan de slag om San Mamede in juni 1128 en werd gevangen genomen door de Portugezen. Hij bleef in het graafschap Portucalense, waar hij verbleef in het klooster van San Juan de Tarouca, waar hij een document ondertekende als Ferdinandus Furtado, frater Imperatoris. Voormalige genealogen beschouwden hem als de voorouder van de Hurtado de Mendoza, maar deze bewering heeft geen enkele documentaire basis, hij leefde later in Portugal.
Voorgangers en opvolgers van Urraca I de León
 Voorgangster
Berta de Aragón
Koningin gemalin van Pamplona
1109 – 1115
Opvolgster
Margarita de l’Aigle
 Voorganger
Alfonso VI
  Koningin van León en van Castilla
1109 – 1126
Opvolger
Alfonso VII

Verwant aan dit onderwerp:

Naar boven
Dit was een van de Spaanse Verhalen in de website spaanseverhalen.com. De verhalen in deze website zijn niet statisch, regelmatig worden de verhalen aangepast, kijk hiervoor naar deze mededeling:

  • Laatst bijgewerkt 2021-08-05

Coralma*

 

Bronvermelding en referenties:
De veelal buitenlandse teksten van wikipedia zijn beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen. Ik heb deze teksten vertaald, gemengd, en vaak aangevuld met eigen kennis en ervaring, opgedaan in de periode dat ik in Spanje woon en aan deze artikelen werk.
Er kunnen ook andere bronvermeldingen zijn opgenomen, dat kunnen zaken zijn die ik, tijdens het onderzoek naar de artikelen, gelezen heb en in deze teksten verwerkt heb.

{{Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Urraca I de León|oldid=111016101|datum=20180504}}
{{Anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Urraca I de León|paginacode=135069537| datum=20210430}}
{{Nederlandse Wikipedia|taal=nl|titel=Urraca van Castilië en León|paginacode=56849717| datum=20210430}}

De foto’s/afbeeldingen zijn gelicenseerd onder  Wikimedia Creative Commons: CC BY 1.0 , CC BY 2.0 , CC BY 2.5 , CC BY-SA 2.0 , CC BY-SA 2.5, CC BY-SA 3.0 , CC BY-SA 4.0 , GNU-licentie voor vrije documentatie of Publiek Domein
Coralma*, is eigen werk dat u terug kunt vinden als een CC BY-SA 4.0 file in Wikipedia Commons, waarmee ik aangegeven heb dat u vrij bent het werk te kopiëren, te verspreiden, te verzenden en om het werk aan te passen.

Coralma*, is eigen werk dat u terug kunt vinden als een CC BY-SA 4.0 file in Wikipedia Commons, waarmee ik aangegeven heb dat u vrij bent het werk te kopiëren, te verspreiden, te verzenden en om het werk aan te passen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.