Guipúzcoa

Guipúzcoa

    Spaanse Verhalen   Provincie van comundad autónoma País Vasco  spaanseverhalen.com
Spaanse Verhalen  spaanseverhalen.com   ………………………….
Deze keer gaan we het in Spaanse Verhalen hebben over de provincie Guipúzcoa. Een provincie zó mooi en zó rijk aan cultuur dat het lastig is er niet verliefd op te worden. Het is de kleinste provincie van Spanje en daarmee ook van País Vasco. Het ligt ingeklemd tussen de Golf van Biskaje en de westelijke Pyreneeën. In de bergachtige gebieden van deze provincie kan men verward raken daar ze erg op het Zwitserse landschap lijken.  De hoofdstad San Sebastián wordt beschouwd als een van de mooiste steden ter wereld, een stad waar gastronomie hoog in het vaandel staat.Met het silhouet van de Sierra de Aralar en de Txindoki als achtergrond, laten de regio’s Tolosaldea en Goierri ons toe steden binnen te gaan die de essentie van het landelijke Euskadi (País Vasco, Baskenland) wisten te behouden. Verder naar het westen bevatten de valleien van Urola en Deba authentieke schatten van de monumentale Euskadi, drie juwelen van de romaanse, barokke en avant-garde architectuur: de hermitage van La Antigua in Zumarraga, de basiliek van Loiola in Azpeitia en het santuario de Arantzazu voor de voeten van het Aizkorri Natural Park.Guipúzcoa (in de officiële Baskisch taal Gipuzkoa genaamd) is een van de drie Spaanse provincies die deel uitmaken van de autonome gemeenschap (comunidad autónoma) País Vasco. Het is het gebied waar de Baskische taal het meest gesproken wordt, maar ook als u gewoon Spaans spreekt verstaan ze u goed. De hoofdstad en dichtstbevolkte stad is San Sebastian. Het ligt aan het oostelijke uiteinde van de Golf van Biskaje en grenst in het noordoosten aan het Franse departement Pyrénées-Atlantiques, in het zuiden en zuidoosten aan Navarra, in het westen aan Vizcaya, in het zuidwesten aan Álava en in het noorden aan de Golf van Biskaje.

Wat jou interesseert:

Guipúzcoa is georganiseerd in 88 opgenomen gemeenten (municipios) in zeven regio’s (comarcas). Met een oppervlakte van 1997 km² is het de kleinste provincie van Spanje. Van de 50 provincies van Spanje staat het op de 21ste plaats qua bevolkte provincies (713.007 inwoners) en de vierde wat betreft bevolkingsdichtheid (354,18 inw / km²). Meer dan de helft van deze bevolking woont in het grootstedelijk gebied van San Sebastián.

De provincie wordt gekenmerkt door een lage thermische amplitude en vertoont kenmerken die typisch zijn voor een oceaanklimaat met overvloedige regenval.

het wapen de vlag
Gegevens
Hoofdstad San Sebastián
Officiële taal Castellano en Euskera
Entiteit Provincie van País Vasco
Onderverdeling 7 comarcas
89 municipios
Gesticht Territoriale verdeling van Spanje in 1833
Oppervlakte 1997 km²
Hoogte:
gemiddeld
maximaal
minimaal
…..
370 m.b.z.
Aitxuri 1.551 m.b.z.
66 km kustlijn 0 m.b.z.
Klimaat Oceanisch klimaat
Bevolking tot.
Bevolkingsdichtheid
713.007 inw. (2019)
357 inw/km²
Bbp  (2010)
Totaal
Bbp/hoofd

21.322.130 mil. €
30.872 €
Bevolkingsnaam Guipuzcoano (a)
Postcode 20
ISO 3166-2 ES-SS
Patroon San Ignacio de Loyola
Patrones
Officële website

 

Benamingen


Gipuzkoa

Gipuzkoa is de enige officiële benaming die door de Juntas Generales de Guipúzcoa (Algemene Raad, de regering van Guipúzcoa) is goedgekeurd voor het historische grondgebied. Het is de benaming in het Baskisch die wordt aanbevolen door de Koninklijke Academie voor de Baskische taal (Euskaltzaindia) en die gewoonlijk wordt gebruikt in officiële documenten van de Baskische administraties. Het wordt ook gebruikt in sommige documenten in het Spaans. Het is de benaming die in de Baskische versie van de Spaanse grondwet wordt gebruikt in de afwijkende bepaling en in de Baskische versie van het autonome statuut van Baskenland.

Het wetsvoorstel 122/000039 dat op 2 juli 2004 door de Baskische parlementaire fractie (de Baskische Nationalistische Partij, PNV) in het Congreso de los Diputados (Congres van Afgevaardigden, Madrid) van de 8e Spaanse legislatuur is ingediend en dat tot doel had Gipuzkoa als enige officiële benaming in te voeren, is op 9 mei 2006 door dezelfde partij ingetrokken. In 2011 is in de begrotingsovereenkomst, die de PSOE en de PNV in het Congres van Afgevaardigden hebben bereikt, de huidige benaming gewijzigd, waardoor Gipuzkoa de enige officiële benaming van het grondgebied is geworden.

UItzicht over de baai van Donostia-San Sebastian vanaf de Monte Igueldo.

Guipúzcoa

Guipúzcoa is de spelling die wordt aanbevolen door de Real Academia Española (Koninklijke Spaanse Akademie) en die vaak wordt gebruikt in documenten die in het Spaans zijn geschreven. Van 1833 tot 2011 was het de officiële naam van de provincie. In 2011 werd de enige officiële naam, aangewezen door de Algemene Vergaderingen van Guipúzcoa, via het Boletín Oficial del Estado (vglb Staatskrant) van kracht, dus de enige officiële naam van het grondgebied voor alle doeleinden is Gipuzkoa. Dit is de naam die in de Spaanse versie van de Spaanse grondwet wordt gebruikt in de afwijkende bepaling en in de Spaanse versie van het statuut van de autonome regio Baskenland.

 

Geschiedenis


García Aznárez, eerste Heer van Guipúzcoa (1025 – 1076)

Koninklijk klooster van San Juan de la Peña (Aragón), van de tijd dat Guipúzcoa nog tot het Koninkrijk Pamplona behoorde.

De oudste vermeldingen van de plaatsnaam Guipúzcoa dateren uit de 11e eeuw. Het oudst bekende geschreven document dat dit toponiem vermeldt, dateert van 1025. Het is het document van de schenking van het Klooster van San Salvador de Olazábal (monasterium quo dicitur ollazabal), samen met zijn erfenis en voorwaarden, aan het Klooster van San Juan de la Peña in de huidige provincie Huesca. De donoren zijn Señor Garsia Acenariz de Ipuscua en zijn vrouw Gayla of Gaila. Men neemt aan dat Guipúzcoa in die tijd een feodaal landgoed van het Koninkrijk Pamplona was, onder leiding van de eerder genoemde heer Garsia Acenariz of García Aznárez. Het koninkrijk Pamplona bereikte op dat moment zijn maximale historische territoriale uitbreiding, variërend van het graafschap Ribagorza in Opper-Aragón tot de rivier Pisuerga op de grens tussen León en Castilla.

Dit schenkingsdocument beschrijft ook de grenzen van het eerder genoemde klooster van Olazábal, op wiens terrein de huidige kerk van Altzo-azpi in de gemeente Alzo eeuwen later is gebouwd. De landerijen van het klooster van Olazábal besloegen een lange, smalle strook land die liep van de omgeving van de kust van Gipuzkoa (de wijk Elcano de Aya) tot aan het Sierra de Aralar. Aangenomen wordt dat dit gebied, gecentreerd in de vallei van de rivier de Oria, het hart van de 11e eeuwse Ipuscua zou zijn geweest, geregeerd door García Aznárez.

Naast dit eerste document zijn er nog drie andere aktes die in San Juan de la Peña zijn gevonden, die melding maken van García Azenáriz en zijn vrouw Doña Gaila, evenals andere leden van zijn familie: zijn dochter Doña Belasquita en zijn schoonzoon Sancho Fortuniones. Een document uit 1048 vermeldt Doña Gaila de Ippucha die het klooster van Santiago de Luquedeng (van onbekende locatie) schenkt aan dat van San Juan de la Peña. In die tijd was García Sánchez III koning van Nájera en Pamplona.

In de tweede helft van de 11e eeuw wordt een tweede heer van Guipúzcoa, Orbita Azenáriz, genoemd, wiens eerste schriftelijke vermelding dateert uit een document van 1066, tijdens het bewind van Sancho Garcés IV de Pamplona.

 

Inlijving bij het Koninkrijk van Castilla (1076 – 1116)

In 1076 werd het koninkrijk Pamplona opgeschrokken door de moord op koning Sancho Garcés IV, hij was het slachtoffer van intriges door toedoen van zijn broers. De edelen van Pamplona gaven er de voorkeur aan het koninkrijk over te dragen aan een van hun machtige buren van Aragón of Castilla y Leon, dan door te gaan met de moordlustige broers of de rechtmatige erfgenamen van het koninkrijk, Garcia Sánchez de Pamplona, die nog een jonge jongen was. De vorsten van León en Aragón behoorden ook tot de koninklijke familie van Pamplona, aangezien zij de kleinzonen waren van de grote koning Sancho Garcés III ‘el Mayor’ en daarom een zekere legitimiteit hadden om de troon te bestijgen. Beide kandidaten probeerden, met lokale steun, hun kandidatuur te vestigen door een deel van het grondgebied van Pamplona militair te bezetten. Uiteindelijk hebben de twee kandidaten een akkoord bereikt en het koninkrijk in twee delen verdeeld. Koning Alfonso VI de León nam de westelijke helft van het koninkrijk in handen, waaronder een groot deel van La Rioja, Bureba en bijna het gehele huidige Baskenland, en droeg vervolgens de titel van koning van Nájera, terwijl Sancho Ramírez de Aragon de erkenning kreeg als koning van Pamplona en de rest van het koninkrijk overnam.

Reliëf met het wapen van Guipúzcoa op het achteraltaar van de kathedraal van María Inmaculada in Vitoria.

Bij de verdeling van het koninkrijk in 1076, bleef het meest oostelijke deel van de huidige provincie Guipúzcoa, het gebied tussen San Sebastián en de rivier de Bidasoa, verbonden met het koninkrijk Pamplona. Dit feit lijkt te worden bevestigd omdat koning Pedro I de Aragón enkele jaren later, in 1101, de oude schenking aan het klooster van Leire van de kerk van San Sebastian bevestigde, iets dat zijn jurisdictie over dit deel van het grondgebied op dat moment zou bewijzen. Dit deel van de provincie is historisch gezien altijd het nauwst verbonden geweest met Navarra, een gebied dat, via de rivier de Bidasoa de natuurlijke toegang naar de zee was, en waarmee het hetzelfde Baskische dialect en een gemeenschappelijk Baskisch etnisch verleden deelt. De mogelijkheid bestaat dat het Guipúzcoa van de XI eeuw, en het deel dat door de heren van Azenariz geregeerd werd, nog geen deel uitmaakte van de provincie.

Daarentegen werd het grootste deel van het grondgebied van het huidige Guipúzcoa voor het eerst in zijn geschiedenis van de Castiliaans-Leonese politieke heersers een grensgebied tussen Castilla en Pamplona. De Azenariz kring verloor hierdoor haar heerschappij over Guipúzcoa. Zij werden in 1080 in een ander document genoemd, maar niet langer als Heren van Guipúzcoa. In plaats daarvan droeg koning Alfonso VI de regering van Guipúzcoa over aan Lope Íñiguez, Heer van Vizcaya, die zijn belangrijkste steun was geweest bij het claimen van de troon van Pamplona. Lope Iñiguez wordt genoemd in een document van het klooster van San Millán de la Cogolla in 1081 onder de titel van graaf in Vizcaya, Álava en Guipúzcoa (comite Lope Ennecones in Bizkaia et Alava et Ipuzcoa). Later wordt hij genoemd in een document van het klooster van Irache uit 1088 als … comes Lupus dominans Alaua et Bizcaya et Ipuzcoa en in een ander manuscript van San Millán uit 1091 als Comes Lope dominante Bizcahiam et Ipuzcoam.

In 1109, wetende dat hij niet lang meer te leven had, en geen mannelijke erfgenamen had, regelde Alfonso VI dat zijn erfgenaam, Urraca I, zou trouwen met koning Alfonso I de Áragon. Alfonso I werd daarmee regent van Castilla, maar het huwelijk tussen de koning van Aragón en de koningin van León boterde niet en heeft de eenheid en de vrede tussen beide koninkrijken geen goed gedaan, omdat de echtgenoten binnen een paar jaar tegenover elkaar stonden in een burgeroorlog die van 1111 tot 1114 duurde. In de loop van de confrontatie vielen vele gebieden en grensgebieden die tot de koninkrijken van zijn vrouw behoorden in handen van Alfonso I. Waaronder een groot deel van het grondgebied dat in de deling van 1076 in handen was gevallen van de Castilianen en Leonezen.

 

Laatste invasie van het Koninkrijk Pamplona (1116-1200)

Standbeeld van koning Garcia de IV (Garcia Ramirez), gemaakt in opdracht van Fray Martín Sarmiento op het dak van het Koninklijk Paleis van Madrid. Het standbeeld staat nu in Pamplona.

Na het herstel van het Pamplona-Aragonese domein, in de jaren 1110, verscheen Ladrón Íñiguez als de nieuwe eigenaar van Guipúzcoa, die ook aan aan de leiding van Vizcaya en Álava stond. In 1127 consolideerde het Pact van Tamara tussen Alfonso I de Áragon en Alfonso VII de Castilla met de heerschappij van het Aragonese-Pamplona over Guipuzcoa, aangezien de Castilianen de soevereiniteit van het Koninkrijk Pamplona over Guipuzcoa erkenden. In 1130 of 1131 vond een militaire expeditie van Alfonso I Bayona plaats. Tijdens deze expeditie werd hij vergezeld door de vader van de nieuwe Heer van Guipuzcoa, Iñigo Vélaz, en zijn zonen. In 1134 werd de onafhankelijkheid van het Koninkrijk Pamplona hersteld onder het bewind van García Ramírez, nadat hij zich bij de dood van Alfonso I weer van Aragón had afgescheiden.

 

Wedermaal ingelijfd bij het koninkrijk van Castilla (1200)

Historisch schild van de Heerlijkheid en de provincie Guipuzcoa (1466-1979)

De Castiliaanse koningen bevorderde, na de incorporatie van Guipúzcoa in 1200, het werk van de verstedelijking en de stichting van steden waaraan de bevolking van Pamplona een paar jaar eerder was begonnen met de oprichting van San Sebastián. In navolging van San Sebastian was de eerste impuls gericht op de oprichting van steden in de kuststrook van de provincie. Castilla had, net als Navarra, behoefte aan zeehavens, die zouden dienen als commerciële afzetmarkten voor hun producten, als basis voor een marinevloot of voor belangrijke economische industrieën zoals de visserij of de walvisvangst. In Guipúzcoa bevonden zich toen al enkele bevolkingscentra aan de kust. Wat de Castiliaanse koningen toen deden, was om deze reeds bestaande bevolkingen te voorzien van handvesten en rechten die hun groei zouden bevorderen, en deze nederzettingen zouden versterken. In minder dan tien jaar na de annexatie stichtte koning Alfonso VIII de Castilla drie zeevaartssteden naar het model van rechtsbevoegdheid (lees, fuero) van San Sebastian. De vier zeevarende steden in Guipúzcoa bezetten de kust van Guipúzcoa op bijna uniforme wijze.

– Fuenterrabía (1203): in het meest oostelijke deel van het grondgebied. Naast zijn functie als maritieme stad had het een strategische ligging op een landtong met uitzicht op de baai van Txingudi, aan de monding van de rivier de Bidasoa, waardoor het de grenzen met Navarra en de Gascogne kon controleren. Daarmee zou Fuenterrabía samen met San Sebastián het bolwerk bij uitstek van de provincie worden.

– Guetaria (1209): centraal aan de kust van Guipúzcoa gelegen, met een natuurlijke haven die wordt gevormd door een zanderige landengte tussen het vasteland en een eilandje. In de volgende eeuwen zou Guetaria een van de belangrijkste steden van de provincie worden, omdat het een van de belangrijkste havens en de bakermat van de grote zeelieden werd.

– Motrico (1209): dat westelijke grenst aan Viscaya, ook deze haven ontwikkeld zich vanuit een natuurlijke inham en groeit ook uit tot een belangrijke haven en is ook een bakermat van grote zeelieden.

Enkele decennia later zou deze kustontwikkeling worden voltooid met de oprichting van een vijfde stad door de kleinzoon van Alfonso VIII, koning Ferdinand III.

– Zarauz (1237): gelegen in de buurt van Guetaria, werd gesticht op een kustvlakte voor open zee. De stad lijkt zich sinds het begin te hebben georiënteerd op de walvisjacht. Het stadshandvest (fuero) lijkt een bevestiging te zijn van eerdere privileges, dus de stichting zou ook eerder plaatsgevonden kunnen hebben.

De tweede fase van de stadsuitbreiding van Gipuzkoa vond plaats in het midden van de 13e eeuw, tijdens het bewind van koning Alfonso X ‘el Sabio’. Deze keer werden de fundamenten gelegd op twee noord-zuid assen die de provincie doorkruisen, de Oria riviervallei en de Deva riviervallei. Alfonso X richtte vijf nieuwe steden op en misschien zelfs een zesde:

– Tolosa, Villafranca en Segura (1256): de eerste gelegen in de middenloop van de Oria en de twee volgende in de bovenloop van deze rivier. De drie steden zijn strategisch gelegen. Tolosa en Villafranca liggen aan de ingang van de zijdalen die vanaf de grens met Navarra komen. Segura aan de voet van de bergpassen die met Álava communiceren. Deze strategische locaties stellen hen in staat om de natuurlijke noord-zuidcorridor, die gevormd wordt door de Oria-vallei, dat de oostelijke kust van de provincie (San Sebastian, Fuenterrabía) met het binnenland van het koninkrijk verbindt, te versterken en te beschermen. Deze steden zijn geboren met een duidelijke defensieve bestemming, aangezien deze doorgang zeer dicht bij de grens van Navarra ligt en daarom vaak werd blootgesteld aan invallen van bandieten uit het naburige koninkrijk. Men gelooft dat Tolosa en Segura nieuwe stichtingen waren en dat ze niet afhankelijk waren van reeds bestaande steden. Villafranca werd opgericht onder de naam Ordicia en kreeg zijn latere naam, Villafranca, pas in 1268. In dit geval zou het ook kunnen gaan om een reeds eerder bestaande stad.

– Villanueva de Ariznoa en Mondragón (1260): deze zijn het evenbeeld van de voorgaande steden, maar dan in de Deva-vallei. Deze doorgang verbindt de westkust (Motrico, Guetaria) met het binnenland. Het is ook een conflictgebied, aangezien het een grensgebied is met Viscaya en dus onderworpen is aan de invallen van bendes van de naburige landsheer. In dit geval was de stichting gebaseerd op twee reeds bestaande steden: Ariznoa en Arrasate, aan wie de koning de fueros gaf,  en deze steden zich het recht verwierven stadsmuren te bouwen en hun naam te veranderde. Villanueva de Ariznoa stond uiteindelijk bekend als Vergara.

– Hernani (¿?): de datum van stichting is onbekend, want de carta-puebla (dorpsbrief) is samen met het archief verloren gegaan in een brand. Het oudste document dat getuigt van zijn erkenning als stad dateert van 1374, deze datum wordt meestal gebruikt als de “oprichtingsdatum”, hoewel bekend is dat de stad ouder is, maar niet bekend is hoeveel jaar dat dat is. Sommigen suggereren dat de stichting van de stad Hernani meer dan een eeuw eerder plaatsvond en beschreven wordt in de grondvesten van Alfonso X. Dit is te wijten aan het feit dat het vanwege zijn ligging de natuurlijke verlenging is van de as Segura-Ordicia-Tolosa in de richting van San Sebastian, en zo de ontbrekende schakel vormt in de reeks van verdedigingssteden die de grens met Navarra en de werkelijke beschermende verbinding vormt tussen San Sebastian en Fuenterrabía. Hernani is een stad die al voor de 13e eeuw bestond.

 

Door koning Sancho IV de Castilla:

– Monreal (1294); Sancho IV gaf fueros aan de oude stad Iciar, gelegen op een voorgebergte voor de kust. Enkele jaren later (1343) mocht de stad op verzoek van de inwoners worden verplaatst naar een nabijgelegen locatie aan de monding van de rivier de Deva, die beter geschikt was om te kunnen profiteren van de kustrijkdommen; dit gaf aanleiding tot Montreal de Deva, het huidige Deva. Iciar werd achtergelaten als een landelijke buurt die afhankelijk is van Deva.

 

Door koning Ferdinand IV van Castillo:

– Garmendia de Iraurgui (1310); waarvan de privileges een jaar later worden bevestigd als Salvatierra de Iraurgui. En een paar jaar later bekend stond als Azpeitia.

 

Door koning Alfonso XI de Castilla:

– Villanueva de Oiarso (1320): deze stad ontstond aan de monding van de rivier Oyarzun (Oiarso). Ze is gesticht op de oude funderingen van de stad Orereta. De nieuwe stad breidde haar jurisdictie oorspronkelijk uit tot het hele Oyarzun-dal. Het staat nu bekend als Rentería.

– San Martín de Iraurgui (1324); enkele jaren later heropgericht op een andere locatie als Miranda de Iraurgi (1331); en sinds de 15e eeuw bekend als Azcoitia. De koning stelde vast dat de doortocht tussen Guetaria en Mondragón door deze stad zou gaan.

– Salinas de Léniz (1331); de oorsprong ervan is gekoppeld aan het bestaan van een zoutbron. De bevolking in deze omgeving is verbonden met de zoutmijnbouw die hier ten minste sinds de 11e eeuw plaatsvind. Het kreeg een handvest (fuero)om zijn belangrijkste economische activiteit te bevorderen. Men verleende het het fuero van Mondragon.

– Elgueta (1335): gelegen aan de grens met Viscaya. Het werd toegekend aan de Fueros van Vitoria en Mondragon.

– Placencia de Soraluce (1343): het dorp Soraluce wordt beloond voor zijn belangrijke deelname aan de Soralucetarras aan de sitio de Algeciras (1342, een oorlogszuchtige onderneming die werd uitgevoerd door de Castiliaanse troepen van Alfonso XI samen met de vloten van Aragón en Genua tijdens de Rconquista met als doel de moslimstad al-Ŷazīra al-Jaḍrā veroveren). Deze stad behoorde tot dan toe toe aan het Land van Marquina.

– Villanueva de San Andrés (1346); op verzoek van de inwoners van de Ego-vallei, in de natuurlijke pas tussen Guipúzcoa en Vizcaya. De nieuwe stad kreeg het fuero van Logroño. In het midden van de 15e eeuw was de stad al bekend onder de huidige naam Eibar.

– Villamayor de Marquina (1346); op verzoek van de inwoners van de parochie van San Bartolomé de Olaso, die verspreid over het land van Marquina woonden. Bekend als Elgóibar sinds het midden van de 15e eeuw.

 

Door koning Enrique II de Castilla:

– Belmonte de Usúrbil (1371); het was een voorstad van San Sebastián en kreeg zijn fuero van die stad.

 

Door koning Juan I de Castilla:

– Santa Cruz de Cestona (1383); het werd gesticht op verzoek van de inwoners van de parochie Santa María de Aizarna, die de koning vroegen een stad te stichten als beste verdediging tegen de misbruiken van banderizo’s en de ligging van de regio aan de grens met Navarra en de Gascogne. De koning verleende hen de privileges van de naburige stad Azpeitia. Er is een nieuwe nederzetting ontstaan, namelijk de huidige stad Cestona. De oorspronkelijke bevolkingskern, Aizarna, werd achtergelaten als een plattelandsdistrict van Cestona.

– Villarreal de Urrechua (1383): de stichting werd gepromoot door een groep van 24 kolonisten, die de fueros van Azpeitia kregen. De redenen voor de stichting zijn het versterken van de macht van de Kroon in een belangrijke communicatieknoop tegen de Oorlog van de bendes (Guerras banderizas). De kolonisten onder koninklijke bescherming zouden zich beter kunnen beschermen tegen deze bendes.

Door koning Juan II de Castilla:

– Oyarzun (1453); het dorp werd toegekend aan verschillende bevolkingscentra in de Oyarzun-vallei, waardoor ze buiten de jurisdictie van Villanueva de Oiarso vielen. Deze stichting is te danken aan de meer dan een eeuw durende rechtszaken die deze stad met het centrum van Villanueva de Oiarso heeft gevoerd.

In 1845 werd het grondgebied van de Señorío de Oñate, na de afschaffing van de gerechtelijke heerlijkheden (señorios), definitief opgenomen in deze provincie.

– Astigarraga: (1382) Tijdens de Guerras banderizas (vlaggenoorlogen) van de 14e en 15e eeuw maakten de Murguía deel uit van de bende van Oñacino. In deze turbulente periode is het de Heren van Murguía gelukt om een relatie van een zekere heerschappij over de buren van Astigarraga tot stand te brengen. In 1382 ondertekenden de buren van Astigarraga, zijnde de Vrouwe van Murguía Navarra Martínez de Oñaz, kleindochter van Diego López de Salcedo, een contract met de Heren van Murguía waarbij zij een reeks diensten moesten verlenen en een reeks belastingen moesten betalen; in ruil voor bescherming en een reeks rechten die door deze laatste werden erkend.

 

Geografie


Comarcas en Municipios (Regio’s en Gemeentes) Guipúzcoa

Qua omvang, is Guipúzcoa de kleinste van de vijftig Spaanse provincies.

 

Reliëf

Guipúzcoa laat een zeer ruig en rotsachtig berglandschap zien omdat het zich op de kruising bevindt van het Cantabrische gebergte in het westen en de Pyreneeën in het oosten. Het is de tweede meest bergachtige provincie van Spanje, gezien de oneffenheid van het terrein.

 

Hydrografie

De rivier Oyarzun doorkruist hier Renteria.

De rivieren van Giupúzcoa zijn allemaal vrij kort en hebben kleine waterbekkens. Door de hoge neerslagindex en de aanhoudende regenval in dit gebied zijn deze rivieren echter relatief groot en stabiel.

Als eerste de rivier Bidasoa, die loopt van oost naar west. Ze ontspringt in Puerto Izpegui (Navarra) op een hoogte van 710 m en komt via Endarlaza, Guipúzcoa binnen. De rivier stroomt over een lengte van 9 km door het provinciaal grondgebied waar hij als natuurlijke grens tussen Spanje en Frankrijk dient. Eerst stroomt de rivier door een smalle vallei om daarna breed uit te stromen op een kustvlakte waarop zich de stad Irún en Hondarribía bevinden, om uiteindelijk uit te monden in de Cantabrische Zee in de Kaap Higuer.

De Oyarzun of Oarso is een kleine rivier van 15 km lengte, die begint in het Natuurpark Peñas de Aya, op 680 m hoogte, Rentería doorkruist en eindigt in de baai van Pasajes. Het is een rivier met frequente overstromingen die door haar helling (45,3 m/km) tal van detritische sedimenten (klastisch gesteente) meesleept dat in de baai worden afgezet.

De Urumea ontspringt in het noordoosten van Leiza (Navarra) op een hoogte van 710 m. Hij heeft een lengte van 53 km en stroomt door Hernani waar hij het water van zijn enige zijrivier, de rivier de Añarbe, ontvangt, om uiteindelijk tussen de bergen Ulía en Urgull door stroomt naar San Sebastián.

De rivier Oria in Lasarte-Oria.

De Oria-rivier is de grootste en langste rivier van de Giupúzcoa en begint in Puerto van San Adrián, op een hoogte van 660 m. In het begin lijkt het erop dat de rivier door de drie takken, de Idiazábal, Cegama en Zumárraga gevoed wordt, en vanaf hier gaat het verder met een enkele rivierbedding van ongeveer 80 km lengte. Over deze lengte verzameld de rivier het water van de zijrivieren de Leizarán, Berástegui, Amézqueta, Araxes, Amundarain, Agaunza en Ursuarán, en stroomt het door de gemeenten Beasáin, Ordicia, Legorreta, Alegría de Oria, Tolosa, Villabona, Andoáin, Lasarte-Oria en Usúrbil, waarna hij bij Orio uitmondt in een, door de stroming, gevaarlijke baai.

De rivier Urola ontspringt bij Legazpia op de noordelijke helling van de Aitzgorri op een hoogte van 720 m. Hij ontvangt het water van de zijrivieren Urrestilla en Régil en stroomt via Legazpia, Zumárraga, Villarreal de Urrechu, Azcoitia, Azpeitia, Cestona, Aizarnazábal en Zumaya naar de zee.

De Deva rivier ontspringt op de berg Eizmendi, in het Elgueta gebergte, op een hoogte van 825 meter. Het heeft een 58 km lang parcours en zijn zijrivieren zijn de rivieren Ego, Aramayona en Aránzazu; de rivier doorkruist Salinas de Léniz, Arechavaleta, Escoriaza, Mondragón, Vergara, Placencia de las Armas, Elgóibar, Alzola en Mendaro, om tenslotte te eindigen in Deva.

Als laatste vernoemen we nog een aantal rivieren die afkomstig zijn uit de karst- of bergstrroomgebieden, zoals de Arno, Lastur, Aizarna, Vidania, Aintzarga, Alotza, Iñurritza, Ubedí, Urbía, Escaraz, Guezaltza en de Degüiza.

 

Klimaat

Bepalende factoren voor het Giupúzcoa-klimaat zijn de ligging van de provincie tussen de Pyreneeën en het Cantabrisch gebergte, en tussen de Golf van Bizkaje en de Ebro-vallei, een positie die resulteert in een zeeklimaat met een mediterrane tintje, gekenmerkt door kleine jaarlijkse thermische schommelingen, met koele zomers en gematigde winters en met overvloedige regen het hele jaar door, maar vooral in de herfst en vroege winter. De gemiddelde temperatuur is 8,1 ° C in de winter en 18,2 ° C in de zomer.

Vruchtbare vlakte hier aan de top van Arlaban.

De wind is er zeer frequent aanwezig, voornamelijk noord-noordwest- en zuiderwinden. Slechts 2% van de dagen is het rustig. De regenval is overvloedig (50% van de dagen is regenachtige) als gevolg van het windregime en de orografie (op lokaal niveau hebben bergen soms grote invloed op het lokale weerbeeld) van de provincie, met een neerslag die varieert van 1200 tot 1700 mm/m² per jaar. De bewolking is ook hoog (slechts 10% van de dagen is het totaal helder, maar die dagen vallen wel in de zomerperiode en dat is dan ook weer niet zo slecht), met een gemiddelde van 1830 uur zon per jaar (gelijk aan 5 per dag).

Het oceanische klimaat, met weinig thermische schommelingen, bereikt een jaarlijks gemiddelde temperatuur van 14 °C, met overvloedige regenval (1400 mm per jaar) en soms gewelddadige ‘galernas‘, harde noordwestenwinden. De neerslag en het reliëf bepalen een hydrografie die wordt gedefinieerd door rivieren van korte lengte, hoewel overvloedig en regelmatig; de belangrijkste zijn de Bidasoa, de Oyarzun, de Urumea, de Oria, de Urola en de Deva. Hun agrarisch gebruik, als gevolg van de regenval, is minimaal, hoewel ze aan de basis liggen van een industrie die haar water uiteindelijk heeft vervuild. De overheersende vegetatie, ook geconditioneerd door het klimaat, is het boreale bos, met bladverliezende soorten die worden afgewisseld met weilanden. Eiken, essen, berken, pijnbomen, kastanjebomen en eucalyptusbomen bedekken de berghellingen, waar vossen, wilde zwijnen, eekhoorns en reeën leven.

 

Demografie


Juntas Generales (Algemene Vergadering) van Guipúzcoa.

Guipúzcoa heeft 713.007 inwoners (2019) en is met 357 inwoners per vierkante kilometer de vierde dichtstbevolkte Spaanse provincie (na Madrid, Barcelona en Vizcaya).

Guipuzcoa is ook een van de regio’s die er voor gezorgd heeft dat het middeleeuwse Castilië opnieuw is bevolkt, aangezien mensen uit deze gebieden tijdens de Middeleeuwen naar Castilla zijn geëmigreerd waar ze zich hebben gevestigd; daarom hebben veel van de mensen uit Valladolid, Burgos, Toledo, Palencia etc. Giupuzcoan voorouders, ook al hebben ze geen Baskische achternamen.

De provincie Guipüzcoa staat op de 33ste plaats van Spanje als we kijken naar het percentage inwoners die zich in de hoofdstad hebben geconcentreerd (25,9% tegenover 32% voor geheel Spanje)

 

Toerisme


Het belangrijkste toeristische gebied  is de Baskische kust, waar de gemeenten San Sebastian, Zarauz en Fuenterrabia zich onderscheiden. Naast de stranden hebben ze een groot aantal gebouwen van groot cultureel en historisch belang. In het binnenland vallen steden als Éibar, Beasáin, Villafranca de Ordizia, Oñate, Mondragón, Azpeitia en Tolosa op.

 

Gastronomie


De gastronomie van Guipúzcoa is het geheel van gerechten en culinaire gebruiken in deze provincie of het historische grondgebied van Guipúzcoa (Baskenland), de minst uitgestrekte van de provincies van Spanje. De belangrijkste stad en groep inwoners is San Sebastian, daarom wordt er vaak verwezen naar de Gastronomie van San Sebastian (de stad met het hoogste aantal Michelin-sterren per vierkante meter). Onder de vertegenwoordigers van de moderne keuken zien we Juan Maria Arzak, Pedro Subijana, Martin Berasategui en Andoni Luis Aduriz. Het is een provincie van gastronomische verenigingen en pintxos (geserveerd met een glas bier genaamd zurito).

De gemeente Mendaro staat bekend om haar handgemaakte pralines. De chocoladetraditie van Mendaro gaat terug tot de 18e eeuw en is te danken aan de samenloop van twee factoren. In die tijd begon de cacao vanuit Venezuela via de Real Compañía Guipuzcoana de Caracas in Guipuzcoa aan te komen en aan de andere kant vestigde zich rond 1800 een familie van Franse afkomst (Saint Girons) in Mendaro en bracht een traditie van zoetigheid met zich mee waar de regio vreemd aan was. In 1850 werd het bedrijf Chocolates de Mendaro-Saint Girons opgericht, dat ook vandaag de dag nog met de handgemaakte chocolaatjes, truffels en bonbons produceert.

Groenten

Een bord Porrusalda (Preisoep).

Een van de culinaire bereidingen van de provincie is een soep gemaakt van prei, genaamd purrusalda. De Tolosabonen (alubias de Tolosa) zijn bekend op het gebied van peulvruchten. Deze worden gekenmerkt door het feit dat ze volledig zwart en uniform zijn. Ze hoeven geen uren van te voren in de week gezet te worden, zoals bij andere soorten bonen het geval is. Het heeft boterachtig, stevig vruchtvlees: als het goed gekookt is, mag het niet breken. Ze zijn populair bij de Galicische kool (berzas). Onder de stoofschotels van het gebied is er een ‘cocido guipuzcoano‘ (Guipuzcoan stoofpot), gemaakt met bonen, zonder kikkererwten.

 

Vis en vlees

De Txakoli wijngaarde in Zarauz.

Er zijn veel gerechten op basis van mager varkensvlees. De tripotxa wordt gemaakt, schrik niet want dit zijn heel normale ingrediënten hier in Spanje, van de ingewanden en de long van het lam. Er zijn ook zeer populaire wildgerechten zoals het everzwijn.

Vissen, vrij logisch voor een kustprovincie, zijn er in overvloed. Een van de bereidingen is de ‘bacalao al pil pil‘ (pil kabeljauw), cocochas de bacalao (kokotxas genoemd) soms geserveerd in groene saus, ‘zurrukutuna de bacalao‘, ‘ventrechas of ijadas de atún‘ (tonijn). ‘Merluza rellena de marisco‘ (heek gevuld met zeevruchten), ‘bonito a la orriotarra‘ (Bonito is een kleine tonijnsoort, gelardeerd met spek), ‘merluza a la koskera‘. De ‘pastel de cabracho’ (schorpioenvispate). Palingen worden op een speciale manier bereid in San Sebastian (paling a la donostiarra), die gepaneerd en gebakken worden.

Onder de pluimveegerechten is de ‘guiso de pollo a la iruñesa‘ (kippenstoofpot a la iruñesa) die bestaat uit een kip gevuld met ham en kool.

Tejas y Cigarrillos de Tolosa

Tot de banketbakkers-bereidingen van de provincie behoren de Tejas y Cigarrillos de Tolosa en de Xaxus. Het is een traditie in Fuenterrabía , Irún en Errenteria dat de peetmoeders op 25 april (San Marcusdag) hun petekinderen een San Marcusdag opila (een sponskoek met hardgekookte eieren) geven.

Opila de San Marcos

 

 

Naar boven
Spaanse Verhalen. spaanseverhalen.com
Laatst bijgewerkt 2020-09-04

Bronvermeldingen

{{anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Guipúzcoa| oldid=125937417| datum=20200514}}
{{anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Sitio de Algeciras| oldid=123646045| datum=20200516}}
{{anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Guerras de bandos| oldid=121464240| datum=20200516}}
{{anderstalige Wikipedia|taal=es|titel=Gastronomía de Guipúzcoa| oldid=52801498| datum=20200517}}