Apsis     (Ábside)
Apsis of abside, (grijs) van een kruiskerk.
Apsis of abside, (grijs) van een kruiskerk.

Een apsis of abside (absidiool) is een halfronde, of veelhoekige, nisvormige ruimte aan een basilica, kerk, kathedraal of tempel.

Acropolis

Hoogste punt van een stad waar de burcht van de koning als toevluchtsoord voor de bevolking diende.

Alfiz     (Alfiz)
Alfiz
Alfiz

De alfiz (waarschijnlijk alhíz, in het Andalusisch Arabisch) is een gietwerk of frame rond de buitenkant van een boog. Op de tekening lichtgrijs ingevuld. Een heel gebruikelijk architectonisch ornament van Etruskische origine, vaak terug te vinden in Spaans Islamitisch en Moorse architectuur. Daarom wordt de alfiz (rechthoekig kader) vaak geassocieerd met de hoefijzerboog. Normaal gesproken is het een rechthoekig richel met een rijkelijk versierd interieur. Ook in de Romaanse kunst wordt dit ornament gebruikt.

Altaar     (Altar)

Een altaar (van het Latijn altus = hoog) is een tafel uit hout of steen waar rituele handelingen worden verricht, zoals het brengen van offers aan geesten en goden resp. aan God. Offertafel, outaar en outer zijn synoniemen voor altaar.

Altaarstuk

Zie Retabel.

Arcade     (Arcada)

Een reeks open bogen heet, samen met de zuilen of pijlers waar hij op rust, een arcade. In een romaanse of gotische kerk kunnen we er een aantal boven elkaar aantreffen: de scheiboogarcade, de zijbeuksgalerij en het triforium.

Archivolt     (Arquivolta)
Arnaud Gaillard (arnaud () amarys.com) - Trabajo propio
Portaal Notre-Dame, met de versieringen (archivolten) op de spitsbogen.

Een archivolt of archivolte is een geprofileerde versiering langs een arcadeboog. Men vindt archivolten onder andere aan kerkingangen. In de latere gotiek springt met het portaal ook de archivolt naar voren. Vorm en versiering variëren met de stijlperiode.

De archivolt is niet de boog zelf, maar de versiering daarop.

Arcosolium     (Arcosolio)
graf van Doncel, kathedraal van Sigüenza, Arcosolium, gotisch
graf van Doncel, kathedraal van Sigüenza, Arcosolium, gotisch

Een arcosolium (uit het Latijn, arcus, “boog”, en solium, “sarcofaag”) is een nisgraf waarboven zich een boog bevindt. Arcolosia bevinden zich in catacomben, maar ook vinden we er een in de rotsformatie als die van de Heilige grot van Govadonga.

Atrium     (Atrio)

Een binnenplaats die geheel door de woning is omsloten.

Balkon     (Balcón)

Een balkon is een afgebakend open platform dat niet gelijkvloers voor een muur is aangebracht en talloze vormen en formaten kent. Een balkon is voorzien van een balustrade of borstwering en toegankelijk uit de daaraan grenzende binnenruimte door middel van een deur.

Baldakijn

Een baldakijn, troonhemel, processiehemel of draaghemel is een van kostbare stof gemaakte overkapping, die als eerbewijs boven een persoon of voorwerp geplaatst of gedragen wordt. Het gebruik van baldakijnen in de beeldhouwkunst en de heraldiek is hiervan afgeleid. Het woord baldakijn (Italiaans: baldacchino) is afgeleid van de oude Italiaanse naam voor de stad Bagdad, Baldacco, waar de kostbare stoffen (zoals brokaat en zijde) vandaan kwamen.

Balustrade     (baranda, pretil, balaustrada,parapeto)

Een balustrade is een laag hek of muurtje dat bij een hoogteverschil, mensen die zich aan de hoge zijde bevinden, beveiligt tegen vallen, van bijvoorbeeld een balkon, galerij, trap, bordes, brug of ravijn. Van oorsprong is een balustrade opgebouwd uit balusters. Een moderne balustrade met spijlen noemt men, net als op een schip, vaak een reling.

Baluster     (Balaustre)
Baluster
Baluster

Een baluster is een speciaal voor zijn doel vormgegeven, sterk geprofileerde zuil of spijl. Balusters zijn doorgaans onderdeel van een balustrade. Ze zijn meestal gemaakt van hout, gietijzer of beton. Balusters zijn bijvoorbeeld te vinden als onderdeel van bordestrappen van herenhuizen en grachtenpanden. Daar worden ze gebruikt ter ondersteuning van de leuning. Daarnaast zijn er objecten die door hun uitgesproken vorm met een baluster worden vergeleken, zoals een vaas of meubilaironderdeel.

De naam komt uit het Grieks, balaustion en Latijn balaustium en betekent ‘bloem van de granaatappel’. De vorm van de klassieke baluster is ontleend aan de vrucht. Ook weelderig vormgegeven meubelpoten of bepaalde bolvormige vazen worden wel ‘baluster’ genoemd.

Basiliek     (Basílica)
Plattegrond basiliek met apsis.
Plattegrond basiliek met apsis.

Vernederlandsing van het Romeinse basilica, dat weer afkomstig is van het Griekse basilikos (koninklijk gebouw). De basilica lag meestal aan het Romeinse forum en was een meerschepig gebouw vaak met hogere middenpartij. De hogere middenpartij was voorzien van grote vensters, de zogenaamde lichtbeuk. Het diende voornamelijk als  markthal en beursgebouw. In de keizertijd ook als rechtszaal. Voor dit laatste gebruik werd aan de basilica een rechthoekige of halfronde uitbouw, de apsis, aan toegevoegd.

In de Rooms-Katholieke Kerk  is een basiliek een kerkgebouw met een bijzondere status. Alleen de paus bepaalt welke kerken basiliek mogen heten. Basilieken hebben een belangrijke rol in de kerkgeschiedenis gespeeld of vormen het centrum van bedevaarten.

Beuk     (Nave central of Nave laterales)
Zijbeuken
Middenschip

Middenschip of zijbeuk.
De term beuk (afkomstig van bueck of buik) wordt gebruikt ter aanduiding van het belangrijkste lichaam van specifieke gebouwtypen, zoals kerken en basilieken. (zie ook schip)

Boog     (Arco)

Gebogen overspanning tussen twee punten, ter ondersteuning van een gewelf, brug e.d., waarbij de druk zijdelings wordt afgevoerd. Soorten bogen zijn bv. accoladeboog, ezelsrugboog, florentijnse boog, gordelboog, hoefijzerboog, keperboog, kielboog, klaverbladboog (driepasboog), korfboog, lancetboog, luchtboog, muraalboog, rondboog, segmentboog, spitsboog etc.

Borrominesco     (Borrominesco)

Is een variëteit in de Barokke architectuur geïntroduceerd in de 17ᵉ eeuw door de Italiaanse architecten Borromine en Bernini. Een stijl die veelal gebruikt wordt in de Spaanse architectuur.

Brucanium

Een bucranium (van het Griekse boukranion, βουκρανιον, “runderschedel”) is een runderschedel met horens die als versiering is gebruikt.

Runderschedels werden na een offer vaak opgehangen als herinnering aan het offer. Ook werden ze afgebeeld op bijvoorbeeld keramiek. Vanaf de vierde eeuw v.Chr. gingen realistisch of meer gestileerd weergegeven runderschedels ook een decoratief element vormen in de hellenistische en Romeinse architectuur. Men komt bucrania voornamelijk tegen op friezen van bouwwerken die met offers te maken hebben zoals tempels, altaren en graven. Vaak zijn guirlandes of bloemen als versiering toegevoegd. Mogelijk de oudste specimens heeft men bij archeologische opgravingen in het Anatolische Çatal Hüyük aangetroffen.

brugpijler

Een brugpijler is het verticale ondersteunende deel van een brug op de plaatsen waar de brug niet op een landhoofd rust. Een pijler wordt nagenoeg altijd gebouwd op een fundering om de verticale krachten als gevolg van het gewicht van de brug en van de gebruikers op de ondergrond over te dragen. Boven op de pijler rust de overspanning, ook wel een ligger (of liggers) genoemd. De overspanning van een brug wordt normaal gesproken gemeten tussen de pijlers; bij bruggen wordt dan vaak verwezen naar de langste overspanning.

Pijlers werden vroeger van steen gemaakt, maar worden tegenwoordig vaak van beton of staal gemaakt. Beton kan hogere drukkrachten opvangen dan staal en is tevens beter bestand tegen corrosie door bijvoorbeeld zout water en wordt daarom vaker toegepast. De maximale hoogte van een pijler is in theorie bijna onbegrensd; op dit moment bezit het Viaduct van Millau de hoogste pijlers ter wereld met een hoogte van 343 meter met de grootste overspanningen van 342 meter.

Candelieri   
Candelieri : The Pilaster Panel. 1. Italian Renascence 2-5. Italian Renascence, Sta. Maria dei Miracoli, Venice. 6-7. Italian Renascence, by Benedetto da Majano. 8-9. Modern Panels, in the style of the Italian Renascence.
Candelieri

Candelieri is de Italiaanse naam voor een type ornament dat voor het eerst gebruikt werd tijdens de renaissance, dat deed denken aan de antieke kunst, en hoewel je het ook vaak ziet in de schilderkunst, is het eigenlijk een toepassing van sculpturale reliëfs in de architectuur waar men deze soort versieringen veelvuldig wordt gebruikt. 1. Pilaster Paneel. 1. Italiaanse Renaissance 2-5. Italiaanse Renaissance, Sta. Maria dei Miracoli, Venice. 6-7. Italiaanse Renaissance, door Benedetto da Majano. 8-9. Moderne Panelen, in de stijl van de Italiaanse Renaissance. (geen nederlandse beschrijving van gevonden)

Console     (Ménsula)
Console
Console

Een console is een uitkragend constructiedeel aan een kolom of wand, dat als steun dient voor een ligger of een plaat. Een console is meestal vormgegeven naar de vorm van de momentenlijn.

Consoles zijn vaak goed zichtbaar bij balkons en parkeergarages.

In oudere gebouwen zoals kerken en kathedralen wordt de benaming console gebruikt voor (meestal bewerkte) voetstukken voor standbeelden en heiligenbeelden.

Colonnade     (Columnata)

Een reeks van zuilen die een hoofdgestel dragen en niet zoals bij een arcade met bogen verbonden zijn.

Crypte

Een crypte is een ondergrondse ruimte in een kerkgebouw, veelal bedoeld als begraafplaats of om relikwieën van martelaren en andere heiligen tentoon te stellen. Meestal betreft het romaanse kerken en bevindt de crypte zich onder het priesterkoor of onder de viering. Soms is er een extra crypte onder het westwerk. Ook wereldlijke gebouwen, zoals paleizen, kunnen een grafkelder bezitten, die in sommige gevallen als crypte wordt aangeduid.

Cyclopische muren     (Construcción ciclópea)

Dit zijn dubbele muren uit enorme, onregelmatige stenen blokken die zonder metselcpecie op elkaar gestapeld zijn. Vanwege hun enorme grootte dacht men dat Cyclopen – reuzen uit sagen – ze hadden gemaakt.

Dakkapel     (Buhardilla)

Een dakkapel is een opbouw op een hellend dak waarin een raamkozijn is opgenomen en voorzien is van zijwanden, de wangen. Dakkapellen worden niet meer alleen als maatwerk en van hout gemaakt, ook prefab dakkapellen van kunststof zijn mogelijk.

Daklijst

Een daklijst de bovenste afsluiting van een muur langs de dakrand van de gevel. De vaak horizontale lijst is vaak gemaakt van hout maar ook wel van natuursteen of zink. Daklijsten steekt vaak iets uit en kunnen als rijk gedecoreerd en geprofileerd zijn. Ook de plank die de zijkant van een overstekend plat dak afsluit wordt daklijst genoemd.

Deambulatorium     (Girola)

Zie kooromgang.

Dwarsbeuk, dwarsschip     (Transepto)

Zie Transept

Diagonaalrib, diagonaalboog     (Nervio diagonales)
afkomstig van Wikipedia Commons(http://commons.wikimedia.org/wiki/Image:Church-plan.png), oorspronkelijke auteur: Lusitana zelf arceringen aan toegevoegd
Plattegrond van een kruiskerk met gordelboog (groen) en travee (rood), bestaande uit 4 gordelbogen en 2 diagonaalribben

Een diagonaalrib of diagonaalboog zijn de ribben of bogen (graten) in een kruisribgewelf of kruisgewelf, die de tegenover elkaar liggende hoekpunten kruiselings met elkaar verbinden.

Tussen de gordelbogen van de travee werden twee diagonale ribben, de diagonaalribben, gebouwd die het gewelf dragen.

Donjon

Een donjon is een middeleeuwse verdedigbare woontoren, al dan niet gebouwd op een motte (kunstmatige aarden heuvel). De eerste donjons waren van hout; later, na de (her)uitvinding van de baksteen, werden ze van steen gebouwd.

Entablement     (Entablamento)
Het entablement (ook wel tafelment genoemd)
Het entablement (ook wel tafelment genoemd)

Hoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.

Exedra     (Exedra)

1) Diepe nis 2) Halfronde nis of uitbouw 3) Nis

Festoen, Guirlande     (Festón o Guirnalda)
Festoen
Festoen

Een festoen of guirlande is een versiering met fruit, bladeren en/of bloemen in de vorm van een slinger die aan de uiteinden omhoog worden gehouden door linten of medaillons. Soms wordt voor de vorm zonder linten aan de uiteinden de term “guirlande” gebruikt, en voor de vorm met linten manchetten, en afhangende uiteinden festoen.

Tijdens de Renaissance, de barok en de Lodewijk XVI-stijl wendde men festoenen en guirlandes in gesneden (hout) of gehouwen (steen) vorm aan ter versiering van kapitelen, raampartijen, frontons en pilasters (afhangend festoen). Barokkerken zoals de Sint-Michielskerk in Leuven voorzag men van klauwstukken van gebeeldhouwde festoenen.

Fries     (Friso)

Een fries is in de kunstgeschiedenis en archeologie de term voor iedere uitgebreide, verhalende voorstelling van mensen, mythologische figuren en/of dieren binnen een duidelijk kader. Friezen hebben vaak een decoratieve functie (hetgeen overigens een diepere betekenis niet per definitie uitsluit) en kunnen op velerlei wijzen en in vele materialen zijn vervaardigd.

In de klassieke bouwkunst is het fries een vaak doorlopende band met voorstellingen. Het fries behoort tot het hoofdgestel en bevindt zich tussen architraaf en kroonlijst.

Frontaal, wimberg, wimperg, windberg     (Gablete)
Het driehoekig frontaal boven de spitsbogen.
Het driehoekig frontaal boven de spitsbogen.

Is een driehoekig gevelelement boven vensters, deuropeningen en grafnissen.

Vooral in de gotiek werd dit veel toegepast en werd boven de archivolten van het hoofdportaal nog extra versiering in de vorm van een frontaal geplaatst. Het frontaal was altijd rijkelijk versierd met beeldhouwkunst.

Het vlak tussen de wimberg of het frontaal en de spitsboog van het venster of portaal wordt het zwik (zie ook, Alfiz) genoemd. In de gotiek werd de doorgaande lijst van de wimberg gewoonlijk versierd met kantbloemen (eenzijdige hogels) en bekroond met een kruisbloem met pumeel.

In de renaissance is het frontaal vervangen door het op de klassieke oudheid geïnspireerde fronton.

Frontispice

(architectuur) Een frontispice of frontispies is in de architectuur de naam voor decoratie-elementen om de belangrijkste ingang (voordeur) van een gebouw. Een frontispies is onderdeel van een voorgevel. Sommige gebouwen hebben geen frontispies, bijvoorbeeld als de voordeur schuil gaat achter een portico of achter zuilen. (zie ook Frontispice algemeen (woordenboek) )

Fronton     (Frontón)
Diverse soorten frontons.
Diverse soorten frontons.

De bekroning van een gevel, venster of entree in de vorm van een driehoek. Het fronton bestaat meestal uit een gedecoreerd veld (timpaan) dat is omrand door lijstwerk. Frontons werden veel geplaatst op tempels uit de klassieke oudheid (zie tekening entablement).

Galerij     (Galería)

Een galerij is een overdekte gang, maar kent vele gedaantes en definities. In de meest gangbare betekenis is een galerij een gang die wordt gescheiden van de straat door een arcade of colonnade, vaak overbouwd door woningen.

Gewelf     (Boveda)

Een gewelf is een gebogen schaalvormige bouwconstructie voor het vrij overdekken van een ruimte, die vooral in kerken, kelders, kasteelzalen of bruggen toegepast wordt.

Gewelfkappen, gewelfvelden, gewelfvlakken     (Plementería)
Gewelfkappen
Gewelfkappen

Een gewelfkap, gewelfveld of gewelfvlak is in een gewelf één rechte of gebogen veld waaruit een gewelf is opgebouwd. De term gewelfveld wordt met name gebruikt wanneer een gewelf een complexere structuur heeft, zoals bij een meloengewelf.

Gewelfribben     (Nervio)
Stergewelf met gewelfribben
Stergewelf met gewelfribben

Een gewelfrib of gewelfribbe, kortweg rib ofribbe, is een stenen strook aan de onderzijde van een gewelf die vaak gekromd en lang is. De gewelfribben vormen vaak een boog om het gewicht van het gewelf met de gewelfkappen te dragen en te concentreren op de omliggende pijlers, kolommen, pilasters en muren. Dit zijn dragende ribben. Daarnaast bestaan er ook hulpribben of sierribben: ribben die louter als doel hebben om het ribbenpatroon sierlijker te maken. Een gewelf met ribben heet een ribgewelf.

Gordelboog     (Arco fagón)
afkomstig van Wikipedia Commons(http://commons.wikimedia.org/wiki/Image:Church-plan.png), oorspronkelijke auteur: Lusitana zelf arceringen aan toegevoegd
Plattegrond van een kruiskerk met gordelboog (groen) en travee (rood), bestaande uit 4 gordelbogen en 2 diagonaalribben

Een gordelboog is een boog tussen twee gewelfvlakken in, en staat loodrecht op de muren waartussen het gewelf is gespannen. De diagonale bogen in een kruisgewelf overspannen juist diagonaal de afstand tussen de kolommen.

Hoofdgestel     (Entablemento)

Breed, horizontaal lijstwerk met bepaalde verhoudingen. Een classicistische bekroning bestaande uit de onderdelen: kroonlijst, fries en architraaf. (zie, entablement)

Hogels    (Cogullo)

Het woord hogel is waarschijnlijk afkomstig van het oud-Nederlandse heugel, een platte ijzeren greep met tanden of gaten, waaraan het hangijzer of een ketel naar believen hoger of lager boven het vuur gehangen kan worden. Een serie hogels op een pinakel heeft wel wat weg van een heugel.

Soorten hogels:

  • bladhogels of waterbladhogels: een eenvoudig type hogel met alleen een groot rond (soms bijna vierkant) blad aan weerszijden;
  • kantbloemen: eenzijdige hogels die meestal worden toegepast ter versiering van een wimberg;
  • kruisbloemen: meestal vier, maar ook wel, naargelang de vorm van de onderliggende pinakel, zes of acht hogels die tezamen één geheel vormen, als bekroning van een pinakel. Over het algemeen sluit de vormgeving van de kruisbloem aan bij die van de hogels op de pinakel, maar is iets rijker uitgevoerd.
Ionisch     (Jónico)

Verwijst naar de stijl die wordt toegeschreven aan de tweede van de drie Griekse architectuurordes en die later samen met de Dorische, Corinthische, Toscaanse en Composite stijl de vijf traditionele klassieke architectuurordes vormde die door de Romeinen, in de Renaissance en ook daarna nog werden gebruikt.

Ionische orde     (Orden jónico)

Ionische zuilEen van de drie hoofdstijlen in de Griekse architectuur (de andere zijn korinthisch en dorisch ). De ionische zuil is slank en heeft fijne verticale groeven. Het kapiteel is met krullen versierd.

 

 

 

 

Kapiteel      (Capitel)

Bekroning van een zuil (ionisch zuil nr. 14) , pilaster of pijler, veelal voorzien van een beeldhouwwerk volgens de klassieke orde (Toscaans, Dorisch, Ionisch, Corinthisch, composiet), de romaanse stijl (teerlingkapitelen) of de gotische stijl (bladkapitelen).

Klauwstuk
In de hoeken van deze halsgevel staan de klauwstukken.
In de hoeken van deze halsgevel staan de klauwstukken.

Een klauwstuk of vleugelstuk is een vleugel- of zijstuk dat aan beide zijden van het middendeel van een gevel van een gebouw of een ander object (zoals een rouwbord) is geplaatst. Dit bouwelement verbreedt het gevelvlak en zorgt voor een geleidelijke overgang tussen de verticale en horizontale richting.

Klok     (Campana)

Een klok is een metalen, meestal bronzen bel, doorgaans in een toren hangend. De klok diende (en dient soms nog) om de omwonende bevolking ergens op te attenderen of tegen te waarschuwen, bijvoorbeeld een evenement of onraad. Klokken gebruikt om de mensen op te roepen voor het gebed of voor de kerkdienst, elders geschiedt het luiden alleen uit traditie. Ook wordt de klok gebruikt om de tijd aan te geven. Ook worden klokken opgehangen in torens om als beiaard (of carillon), een muziekinstrument, dienst te doen. Beiaardklokken hangen stil en worden alleen door het bewegen van de klepel of door de hamer van het automatisch speelwerk tot klinken gebracht. Klokken die bewegen, luiden. Een beiaard wordt niet geluid, maar bespeeld (via een stokkenklavier en klepels in de klok) of speelt automatisch (via hamers aan de buitenzijde van de klok).

Klokkengevel     (Espadaña)

Een klokkengevel is een soort klokkentoren die maar uit één gevel bestaat. De klokkengevel bestaat uit een wat hoger opgetrokken deel in de gevel van een kerk of kapel. In deze verhoging bevinden zich openingen waar de klokken in hangen. Klokkengevels komen vooral in Zuid-Europa veel voor.

Koepel     (Cúpula)

Halfbolvormige overwelving van een gebouw of een deel ervan, met een cirkelvormig of veelhoekig grondvlak, al of niet steunende op verticaal opgaande wanden of pilaren.

Kolom     (Columna)

Onder een kolom of drager wordt verstaan een verticale ondersteunings constructie, waarvan de hoogte betrekkelijk groot is ten opzichte van de breedtemaat. Een kolom kan in diverse materialen worden uitgevoerd zoals, staal, gietijzer, gewapend beton, hout en metselwerk.  Een kolom wordt ook wel pilaar of pijler genoemd.

Koor (zie priesterkoor)
Kooromgang, koorommegang of deambulatorium      (Girola)
Kooromgang
Kooromgang

Is een overdekte wandelgang rondom, en geopend naar, het koor. De kooromgang is te beschouwen als een verlengstuk van de zijbeuken en is meestal even breed. Bij een kruiskerk wordt de verbinding tussen de kooromgang en de zijbeuken onderbroken door het transept. Op de omgang kunnen straalkapellen aansluiten.

Koorsluiting
Het roze deel is de zgn. koorsluiting.
Het roze deel is de zgn. koorsluiting.

De koorsluiting van een kerk is de afsluiting waarmee het koor eindigt. In een georiënteerde kerk is dit aan de oostzijde. Hier kan het koor op verschillende manieren eindigen, met een:

  • halfronde sluiting
  • driezijdige of veelhoekige sluiting
    • vijftwaalfde sluiting
  • rechte of vlakke sluiting

 

Korintische zuilen     (Orden toscano)

Zie, afbeelding bij Toscaanse zuilen

Kraagsteen     (Ménsula)
This image comes from Dictionary of French Architecture from 11th to 16th Century (1856) by Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879).
Kraagsteen

Een uit de muur stekende steen kraagt uit en heet ‘kraagsteen’ wanneer hij iets draagt. Deze steen is te vergelijken met een half kapiteel, maar in dit geval staat hij niet een halfzuil of schalk. Een kraagsteen kan gewelfribben dragen.

Kroonlijst     (Cornisa)
dorische_orde_ii-kroonlijst
Kroonlijst in de Dorische orde

Een kroonlijst of deklijst is een horizontale band aan een bouwwerk, meestal uitspringend en geprofileerd of van versieringen voorzien. In de algemene zin is een kroonlijst een geprofileerde of versierde lijst aan de bovenzijde van een muur of ander belangrijk gebouwonderdeel, bijvoorbeeld een raam of portiek.

 

 

Kruisarm, kruisbeuk     (Transepto)

Zie Transept

Kruisbloem of Finaal     (Florón)
illustratie van een kruisbloem ter versiering van de top van een gevel van Viollet-le-Duc uit 1856
illustratie van een kruisbloem ter versiering van de top van een gevel van Viollet-le-Duc uit 1856

Een kruisbloem is een gebeeldhouwd versieringselement in de vorm van een kruis en werd meestal gebruikt als de bekroning van pinakels, frontalen of geveltoppen uit de gotische bouwkunst. Het bestaat uit een smaller wordende stam (rond of prismatisch van vorm) die uitmondt in een ring of bladerkrans die uitbot in vier knoppen of hogels. Kruisbloemen dienen niet te worden verward met pironnen.

Kruisgewelf     (Bóveda de arista)
kruisgewelf
kruisgewelf

Het kruisgewelf niet te verwarren met een kloostergewelf, is een gewelfvorm van het type graatgewelf die in de Romeinse bouwkunst voor het eerst werd toegepast en daarna op grotere schaal werd gebruikt in romaansekerken.

Het kruisgewelf ontstaat als twee gelijke tongewelven elkaar haaks snijden. De ontstane diagonalen vormen dan een rug aan de onderzijde. Deze noemt men graten. Deze graten van een kruisgewelf vormen een diagonaalboog.

Kruising of viering
kruising of viering

De plaats in een kerk of kathedraal waar het schip en de dwarstransepten elkaar kruisen of doorsnijden wordt de kruising of de viering genoemd. Dit deel van de kerk wordt viering genoemd omdat deze ruimte in de plattegrond een vierkant is.

Kruispijler

De kruispijlers zijn de vier pijlers (zuilen) die op de hoeken staan van de kruising in een kruiskerk. Ze ondersteunen het gewelf van de kruising en gedeelten van het koor, de transepten en het schip. Soms rust er ook een kruisingtoren op de kruispijlers.

Kruisribgewelf     (Bóveda de crucería)
Schematische weergave van een kruisribgewelf
Schematische weergave van een kruisribgewelf

Het kruisribgewelf is een type gewelf ontstaan uit een haakse ontmoeting van twee halve tonnen. Dit constructiemodel komt vooral voor in de Gotische bouwkunst.

Het kruisribgewelf of kortweg (een ribgewelf) is een type gewelf op een vierhoekige basis met de ribben als dragende elementen. Bij het kruisribgewelf worden de diagonaalribben en de gordelbogen eerst gebouwd. Op de plaats waar de ribben elkaar kruisen wordt een sluitsteen of gewelfsleutel aangebracht. Daarna wordt de ruimte tussen de ribben opgevuld met metselwerk.

Lantaarn     (Literna)
Lantaarn
Lantaarn

Een lantaarn is een opengewerkte bekroning van een grote koepel of een toren en is meestal achthoekig van vorm. Een lantaarn op een toren wordt in een aantal gevallen in Nederland gebruikt om een carillon in te hangen.

Latei     (Dintel)

Een latei is een draagconstructie die dient om belastingen boven wanddoorbrekingen over te brengen op de gedeelten van de wand naast deze wanddoorbrekingen. Wanddoorbrekingen zijn bijvoorbeeld een raam of deur.

Lichtbeuk     (Claristorio)

Een lichtbeuk (Lat. clerestorium) is het van een reeks vensters voorziene bovenste gedeelte van het middenschip van een meerbeukige kerk. Door deze rij vensters valt het licht, dat het schip verlicht. Een kerk met een lichtbeuk heet een basiliek. In een hallenkerk waar het middenschip even hoog is als de zijbeuken, ontbreekt de lichtbeuk.

Loft

Een grote woning die doorgaans uit één ruimte bestaat die de bewoner naar eigen inzicht kan indelen Voorbeeld: `De term loft verwijst veelal naar oude fabrieken en pakhuizen die omgebouwd zijn tot woningen.

Loggia     (Logia)
Loggia van het voormalig paleis van Maria van Hongarije te Hesdin
Loggia van het voormalig paleis van Maria van Hongarije te Hesdin

Er zijn verschillende soorten loggia’s. En er zijn heel veel aanverwante vormen die ook een element betreffen, dat een gebouw een open ‘ruimte’ geeft. Het terras is er één van, het balkon een ander voorbeeld. In die gevallen ligt de open ruimte buiten het eigenlijke gebouw.

LoggiasEen loggia is een open ruimte of galerij, door zuilen of pilaren gedragen. De loggia is soms voorzien van een borstwering of balustrade. De loggia kan zowel in een gebouw zijn opgenomen als er los van staan. Een moderne variant op de inpandige versie komt men nog vaak tegen: een balkon dat binnen het (schuine) dakvlak valt wordt ook loggia genoemd.

(Italiaans) Open ruimte aan de voorkant achter de façade van een gebouw, meestal op een verdieping. Uit de balkonloggia die gebruikt werd bij toespraken tot het volk groeide de zelfstandige loggia, een door zuilen geschraagde open hal.

Luchtboog     (Arbotante)

Een  luchtboog is een stijgende boog, die tussen een steunbeer en het bouwwerk is aangebracht. Deze boog heeft dezelfde functie als een schoor: het overbrengen van horizontale krachten (spatkrachten), van het bouwwerk naar de verticaal staande steunbeer.

Luchtboogstoel

Een luchtboogstoel is een term uit de architectuur. Met een luchtboogstoel wordt het verbindingsstuk tussen de luchtboog en de steunbeer aangeduid. De steunbeer is verbonden met de muur van de zijbeuk, de luchtboogstoel is niet verbonden met een van de muren, maar staat als een zuil op de steunbeer. Aan de top hiervan is de luchtboogstoel verbonden met de luchtboog. Boven op de luchtboogstoel is vaak een pinakel geplaatst.

Maaswerk, traceerwerk of tracering     (Tracería)

Maaswerk, traceerwerk of tracering is de stenen versiering in geometrische patronen in het boogveld van gotische vensters en nissen. Soms is ook een muurvlak van maaswerk voorzien, bijvoorbeeld de topgevel boven een gotisch venster. Ook op luchtbogen en spitsen komt men dit a-jour traceerwerk tegen.

Al deze vormen kunnen ook voorkomen in een blinde variant, hetgeen dan blindtracering wordt genoemd.

Pepijntje - Cropped: File:Utrecht 003.jpg
cirkel of ronde pas

Cirkel of ronde pas: Een cirkel of ronde pas is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster een eenvoudig siermotief. Ze werd vaak in de grotere variant gebruikt als middelpunt, een rondlicht. Daarnaast werden ze in de kleinere variant op allerlei plekken gebruikt. Ten slotte werden cirkels ook gebruikt om de restruimte op te vullen waar er geen ruimte meer is voor een ander siermotief. De cirkel is een veelvoorkomend sierelement en wordt op allerlei manieren in de traceringen benut.

Drie driepassen
drie driepassen

Driepas: is een bepaalde vorm in maaswerk waarbij drie overlappende cirkels (passen) in een driehoek gelegen zijn en open zijn aan de kant waar ze elkaar raken. Ze zijn voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters. Ze worden veelvuldig gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven. Een veel voorkomende combinatie is de driepas die wordt omgeven door een cirkel.

 

 

 

Drieblad
drieblad

Drieblad: is een bepaalde vorm in maaswerk waarbij drie overlappende cirkels met ieder een spitsbogig einde in een driehoek gelegen zijn en open zijn aan de kant waar ze elkaar raken. Iedere cirkel met spitse punt vormt als het ware een blad. Dat spitsbogige einde is nodig vanwege de opname van het drieblad in een bol gebogen driehoek, omdat er anders driehoekjes aan ruimte over blijft. Ze zijn voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters. Ze worden veelvuldig gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven.

vierpas
vierpas

Vierpas: is een bepaalde vorm inmaaswerk waarbij vier overlappende cirkels (passen) in een vierhoek gelegen zijn en open zijn aan de kant waar ze elkaar raken. Ze zijn voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters. Ze worden veelvuldig gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven.

 

 

 

vierblad
vierblad

Vierblad:  is een bepaalde vorm in maaswerk waarbij vier overlappende cirkels met ieder een spitsbogig einde in een vierhoek gelegen zijn en open zijn aan de kant waar ze elkaar raken. Iedere cirkel met spitse punt vormt als het ware een blad. Dat spitsbogige einde is nodig vanwege de opname van het vierblad in een gebogen vierhoek, omdat er anders driehoekjes aan ruimte over blijft. Ze zijn voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters. Ze worden veelvuldig gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven.

veelpas
veelpas

Veelpas:  is een vorm in het maaswerk waarbij meerdere overlappende cirkels (passen) in een veelhoekig verband met elkaar gelegen zijn en open zijn aan de kant waar ze elkaar raken. Ze zijn voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters. Ze worden veelvuldig gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven.

 

 

 

visblaas of snuit
visblaas of snuit

Visblaas: Een visblaas of snuit is een drielobbige afgesloten vorm in maaswerk, waarbij de staart van deze vorm spits eindigt. Deze staart kan volledig recht zijn, maar loopt meestal eerst recht van de ronde lob af om daarna opzij te zwenken. Zo ontstaat er een gebogen druppelvorm. Visblaasornamenten zijn voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters, waaronder roosvensters. Ze worden veelvuldig gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven.

tweesnuit
tweesnuit

Tweesnuit: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster de combinatie van twee visblazen in een cirkel. Deze visblazen lijken elkaar te achtervolgen in de cirkel waarin ze zitten. In dit gotische motief zitten in totaal vier toten.

 

 

 

 

 

driesnuit
driesnuit

Driesnuit: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster de combinatie van drie visblazen in een cirkel. Deze visblazen lijken elkaar te achtervolgen in de cirkel waarin ze zitten. In dit gotische motief zitten in totaal zes toten. Het motief was vooral populair in de flamboyante gotiek.

viersnuit
viersnuit

Viersnuit: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster de combinatie van vier visblazen in een cirkel. Deze visblazen lijken elkaar te achtervolgen in de cirkel waarin ze zitten. In dit gotische motief zitten in totaal acht toten. In het midden van een viersnuit bevindt zich een vierpuntige ster, waardoor de gebogen druppelvorm van de visblazen in stand blijft. Het motief was vooral populair in de flamboyante gotiek.

 

 

vijfsnuit
vijfsnuit

Vijfsnuit: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster de combinatie van vijf visblazen in een cirkel. Deze visblazen lijken elkaar te achtervolgen in de cirkel waarin ze zitten. In dit gotische motief zitten in totaal in de visblazen tien toten. In vergelijking met driesnuiten en viersnuiten is het voor een vijfsnuit moeilijker om het motief, bestaande uit visblazen in gebogen druppelvorm, in stand te houden. Daarom bevindt zich in het midden van een vijfsnuit zich een forse vijfpuntige ster. Door deze vijfpuntige ster met de vijf visblazen gaat de vijfsnuit wat lijken op een roosvenster. Het motief was vooral populair in deflamboyante gotiek.

 

 

 

Tussen de drie vierbladen zitten drie druppels.
Tussen de drie vierbladen zitten drie druppels.

Druppel: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster een eenvoudig siermotief vaak gebruikt om de restruimte op te vullen waar er geen ruimte meer is voor een visblaas met toten. Wanneer men van de visblaas de toten weglaat, blijft er een druppel over als eenvoudige vorm. Druppels komen hoofdzakelijk voor in de tracering uit de gotiek.

 

 

 

 

 

hart
hart

Hart: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster een bepaald siermotief in de vorm van een hart. De inkeping van het hartmotief wordt gevormd door een toot. Een hartmotief is een van de verschillende visblaasornamenten en werd voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters. Ze worden veelvuldig gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven.

Het hartmotief heeft één toot. Wanneer het geen toten heeft wordt het een druppel genoemd en als het twee toten heeft een visblaas.

Een blaasbalg bovenin het venster
Een blaasbalg bovenin het venster

Blaasbalg: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster een bepaald siermotief met als vorm die van een vierpas, waarvan twee van de vier lobben in een punt uitlopen. Ze bestaat dus uit twee ronde lobben en twee spitse bladen, respectievelijk twee maal een ronde pas en twee maal een kielpas. Daarmee vormt een blaasbalg de tussenvorm tussen een vierpas en een vierblad. Een blaasbalg heeft vier toten. Ze werd voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters. Vaak werden ze gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven.

 

 

 

 

Twee driehoeken in het maaswerk van een venster, Dom van Utrecht
Twee driehoeken in het maaswerk van een venster, Dom van Utrecht

Hol en Bol gebogen driehoek: is in het maaswerk van bijvoorbeeld een venster een eenvoudig siermotief vaak gebruikt om de restruimte op te vullen waar er geen ruimte (meer) is voor een visblaas met toten of ander siermotief. Anderzijds is ze zeer bewust toegepast om een bepaald lijnenspel te realiseren. Vaak geven deze driehoeken indien zij geen restruimte zijn, ruimte aan andere elementen van de tracering. Deze hol en bol gebogen driehoeken werden vaak gebruikt in combinatie met andere sierlijke motieven en werden voornamelijk gebruikt in de gotische traceringen van vensters.

Een driehoek als deze is met behulp van drie toten al om te vormen tot drieblad.

Vooral het rechter raam toont een goed voorbeeld van vorktraceringen.
Vooral het rechter raam toont een goed voorbeeld van vorktraceringen.

Vorktracing: Een vorktracering of vorkmontant wordt gebruikt in het maaswerk van spitsboogvensters (vensters die bovenin eindigen in een spitse boog). Hierbij splitsen de stijlen van een venster boven het aanzetten van de boog zich in twee of meer armen. De gebogen stijlen hebben dan een Y-vorm en vormen daarmee een van de simpelste vormen van tracering. De stijlen kunnen zich verder dooreenvlechten.

 

 

 

Gaffeltracering
gaffeltracering

Gaffeltracering: wordt gebruikt in het maaswerk van spitsboogvensters. Hier wordt de grootste spitsboog verdeeld in twee kleinere (niet dragende) spitsbogen.

Maestro Mayor

Bouwmeester

Medaillon
Medaillon
Medaillon

Een medaillon is een gebeeldhouwde reliëf in de vorm van een ovaal of cirkel, als ornament aan een gebouw of toegepast op een monument.

Medaillons werden vooral in de 18e en 19e eeuw als versiering aan gebouwen toegepast. Ze worden uitgevoerd in onder meer steen, hout, keramiek of metaal.

Meloengewelf

Een meloengewelf is een kruisgewelf dat uit acht door ribben gescheiden bolvormige gewelfkappen bestaat.

Schematisch lijkt het op een halve bol. De ribben van het gewelf, die aan de bovenzijde in een ring samenkomen, hebben geen dragende functie. Dit type gewelf komt met name voor in romanogotische kerken in het noorden van Nederland.

Necropolis     (Necrópolis)

Dodenstad, begraafplaats, catacombe, kerkhof, necropool

Oculus     (Óculo)

Klein rond licht of venster. Cirkelvormige opening in een muur of koepelgewelf.
De Romeinen hebben de koepel uitgevonden en ze hadden ook al een heel slimme manier om er licht in te brengen: een rond gat, een oculus bovenin. De beroemdste koepel uit de oudheid is die van het Pantheon van Rome, deze heeft een open gat van negen meter bovenin.

Ornament
Ornament
Ornament

Een ornament (Latijn ornare en ornamentum, dat respectievelijk versieren en sieraad betekent) is een compositie of versieringselement dat tot doel heeft een voorwerp of gebouwen of delen daarvan te versieren of op te luisteren.

Patio     (Patio)

Een patio (van het Spaanse patio, “achtertuin” of “achterplaats”) is een ommuurde tuin of binnenplaats. Bij een patio zijn de beslotenheid en het privékarakter van belang.

Pendentief
Koepel op pendentieven (a)

Een pendentief is een boldriehoek of holle gewelfzwik die de hoeken van een vierkante of veelhoekige ruimte verbindt met een ronde koepel, een zogenaamde pendentiefkoepel. Het pendentief verdeelt de druk van de koepel gelijkmatig over de boog die hem draagt. Een voorloper van het pendentief is de tromp.

Pijler     (Pilar)

Zie zuil of brugpijler.

Pilaster     (Pilastra)

Een pilaster is een vierkante, platte zuil of halfzuil, die op de gevel is gemetseld. Pilasters hebben een louter decoratieve functie. Ze worden vooral toegepast in het Hollands classicisme. De muurdammen worden dan versierd met pilasters.

Pinakel   (Pináculo)
Pinakel, linksboven.
Pinakel, linksboven.

Een pinakel (Latijn: pinna:andere vorm) of fioel is een slanke torenvormige beëindiging en bestaat uit een voet, schacht of lijf met daarop een spits of kepel. Het lijf is vaak vier- of achthoekig en versierd met casementen. De kepel wordt bekroond met een kruisbloem of finaal.

De pinakel komt voor op steunberen of luchtboog en boven en naast frontalen. Behalve als versiering dient de pinakel ook om het gewicht van de steunbeer te vergroten, zodat de steunbeer meer druk van de luchtbogen kan opnemen.

De pinakel komt veel voor bij de gotische kerkbouw.

 

 

Priesterkoor, hoogkoor, presbyterium, sanctuarium     (Coro)
Priesterkoor
Priesterkoor

Het koor, priesterkoor of hoogkoor is in de westerse bouwkunst de ruimte van een kerk waar zich het hoofdaltaar bevindt en die soms van het schip afgescheiden is door een koorhek of een doksaal.

Een hoogkoor onderscheidt zich van een normaal koor, doordat het door zijn hoogte uitsteekt of ooit uitstak boven het vloerniveau van het middenschip.

Portaal     (Portada)

Een portaal (van het Latijn porta – deur, poort) is de algemene benaming van de ingang bij een groot, meestal publiek gebouw (tempel, gerechtshof, kerk, etc.) Het is een statussymbool van het gebouw. Hoe gewichtiger de functie of de bouwheer, hoe rijker het portaal werd uitgebouwd en versierd.

Retabel of altaarretabel

Een retabel, ook wel altaarretabel, is een schilder- of beeldhouwwerk, dat bedoeld is om in een kerkgebouw op een altaar te plaatsen of aan de muur achter een altaar te bevestigen. Meestal bestaat een retabel uit meerdere panelen, al dan niet met scharnieren aan elkaar bevestigd.

Roosvenster      (Rosetón)
Roosvenster, klooster Erbach (Beieren).
Roosvenster, klooster Erbach (Beieren).
Roosvenster Santa Maria del Fiore, Florence
Roosvenster Santa Maria del Fiore, Florence

Een roosvenster is een cirkelvormig gebrandschilderd glas dat bij sommige romaanse kathedralen, maar vooral bij kerken uit de gotiek te vinden is. Er zijn ook andere vormen van roosvensters die op een façade van een kerk worden gebruikt. Het roosvenster bestaat uit maaswerk met daartussen vaak glas in lood.

Schacht

Een schacht is een verticale open verbinding binnen een gebouw.

Een schacht wordt gebruikt om leidingen (in het bijzonder gas- en waterleidingen) en kabels te herbergen. Bij een lift maakt men eveneens gebruik van een schacht (de liftschacht). Een schacht is meer dan een stel open gaten bovenelkaar: de zijkanten van een schacht zijn voorzien van een wandconstructie of een muur.

Ook een schoorsteen kan als een schacht worden gezien.

Scheiboog

Een scheiboog is een boog in een kerkgebouw die de middenbeuk scheidt van de zijbeuken. Hij ligt parallel aan de lengteas en maakt meestal deel uit van een arcade.

Schip

Het schip of de beuk is in de kerkenbouw de langgerekte ruimte in (meestal) west-oostrichting, die aan de oostkant wordt voortgezet door het koor. Oudtijds werd het meestal buyck genoemd.

Spatkracht

Een spatkracht is de zijdelingse of horizontale kracht die door onder meer bogen, gewelven, portalen en sluisdeuren op een steunpunt wordt uitgeoefend

Steunbeer     (Contrafuerte)

Ook : contrefort. Tegen een muur gebouwde stenen vertikale constructie ter versterking van de zijdelingse druk. Hierop steunt soms de luchtboog.

Souterrain     (Sótano)

Een souterrain (uit het Frans: sous terrain, onder het terrein) is een verdieping die gedeeltelijk onder het maaiveld ligt.

Een souterrain in een woonhuis heeft vaak een laag plafond en is voorzien van slechts kleine ramen die dienen voor frisse lucht en voor de toetreding van daglicht. Het bouwen van een huis met souterrain was in het verleden vaak een voordeliger en praktischer oplossing dan het bouwen van een huis met een kelder geheel onder de grond. Het souterrain van een herenhuis was vaak voorzien van een grote keuken en een paar kleinere verblijfsruimtes voor het personeel. De achterkant van een souterrain kan eventueel aansluiten op een verdiepte tuin. Een souterrain als werk- of opslagplaats noemt men in Amsterdam soms ook wel een onderstuk.

Bij een huis met een souterrain is er meestal geen eenduidige begane grond aan te wijzen; de tweede bouwlaag (direct boven het souterrain) noemt men daarom meestal de bel-etage. De voordeur van de bel-etage is te bereiken via een statige opgaande trap of een paar verhoogde stoeptredes.

Tafelment     (Entablemento)

 Zie, entablement of hoofdgestel

Tamboer     (Tambor)
Lantaarn
Lantaarn

Een tamboer of koepeltrommel is in de architectuur onder meer een cirkelvormige of veelhoekige onderbouw waarop een koepel rust. De tamboer is veelal van vensters voorzien en soms ook van kolonnades, zoals bij de Sint-Pieter te Rome en het Capitool te Washington. Het architectonische voordeel van de tamboer is, dat de koepel zich hoger bevindt dan zonder tamboer het geval zou zijn, zodat ze beter tot haar recht komt. Ook de inwendige verlichting door middel van vensters die daardoor mogelijk werd, speelde een rol

Taqueado jaqués (geblokt archivolt)
Taqueado Jaqués, de typisch Spaanse schaakbord-achtige decoratie
Taqueado Jaqués, de typisch Spaanse schaakbord-achtige decoratie

Ook wel ajedrezado genaamd. Hier gebruiken we eerst de Spaanse benaming daar het een typisch Spaanse decoratie is. Het is een romaanse archivolt gevormd door cilindervormige dakpansgewijs liggende blokjes die door hun schaduw een schaakbord-achtige decoratie geven. Meestal wordt de decoratie in boogvorm gebruikt maar soms zien we het ook als een horizontale versiering terugkomen. Geblokt archivolt (ajedrezado – geblokt; schaakbord-achtig) is de naam die ik er nu aan gegeven heb daar ik er tot op heden nog geen Nederlandse vertaling van tegen ben gekomen.

Timpaan, boogtrommel     (Tímpano)
Timpaan van de Freiberg Sachsen dom.
Timpaan van de Freiberg Sachsen dom.

Het timpaan of tympanon (van het Griekse tympanon = oorspr.: handpauk, tamboerijn; Latijn: tympanum) is in de antieke bouwkunst het driehoekige gevelveld tussen de kroonlijst en de schuin oplopende daklijsten van een gebouw.

In de middeleeuwse bouwkunst is het timpaan (ook boogtrommel genoemd) de ronde (romaans) of spitsbogige (gotiek) vulling tussen de bovendorpel en de boog, met name boven portalen van kerken, veelal met beeldhouwwerk versierd. Het timpaan kan bestaan uit één groot beeldhouwwerk maar kan ook opgedeeld zijn in meerdere registers, zoals bij de timpanen in de westgevel van de Notre-Dame in Parijs waar die in drie registers zijn opgedeeld.

In de latere classicistische bouwkunst wordt timpaan wel als synoniem gebruikt voor fronton.

Tongewelf     (Bóvede de cañón)

Een tongewelf is een type gewelf dat over de gehele lengte dezelfde vorm heeft en waarvan de dwarsdoorsnede een halve cirkel vormt, zodat het gewelf een halve cilinder vormt. Ook zijn varianten bekend waarbij de boog een ellips-, korf-, parabool- of spitsboog (spitstongewelf) vormt. Tongewelven in strikte zin ……………zijn gemetseld, echter worden ook houten en gepleisterde overkappingen met ……………dezelfde vorm tongewelven genoemd.

Toren     (Torre)

Een toren is een bouwwerk dat aanmerkelijk hoger is, dan het breed en lang is. Een toren kan alleenstaand of met een ander gebouw verbonden zijn. Een toren steekt in de regel boven andere gebouwen uit.

Toscaanse zuilen     (Orden toscano)
Toscaanse zuil (linksboven
Toscaanse zuil (linksboven)

De Toscaanse zuilen zijn gemakkelijk te herkennen aan hun gladde vorm, daar ze nooit gecanneleerd zijn, in tegenstelling tot de zuilen van de Dorische orde.

Transept, kruisarm, kruisbeuk, dwarsbeuk of dwarsschip.     (Transepto)
Transept of dwarsbeuk.
Transept of dwarsbeuk.

Het transept, kruisarm, kruisbeuk, dwarsbeuk of dwarsschip is oorspronkelijk een onderdeel van een romaanse of gotische kathedraal, maar komt ook bij latere bouwstijlen voor.

De plattegrond van een gotische kerk heeft altijd de vorm van een kruis. Dit kruis bestaat uit een lange ruimte (het schip, vóór het transept), met aan het verste einde het koor, achter het transept, waar zich het hoofdaltaar bevindt en dat meestal naar het oosten is gericht. Het transept staat dus haaks op het schip en is meestal noord-zuid georiënteerd. Het bestaat uit drie delen: de beide zijarmen en de kruising. Aan het uiteinde van de beide armen bevindt zich de transeptsluiting.

Transeptsluiting
Transeptsluiting
Transeptsluiting

De transeptsluiting van een kerk is de afsluiting waarmee het transept eindigt. In een georiënteerde kerk is dit aan de noordzijde en aan de zuidzijde: de beide dwarsarmen. Hier kan het transept op verschillende manieren eindigen, met een:

•  rechte of vlakke sluiting
•  halfronde sluiting
•  driezijdige of veelhoekige sluiting

De meeste kerkgebouwen met een transept hebben een rechte sluiting.

Travee

Begrip bij de vlakverdeling van gevels. De afstand tussen twee opeenvolgende steunpuntassen in de lengterichting van een gebouw of bouwonderdeel vaak de breedte van een deur of venster.

Triforium     (Triforio)

Ook: venstergang. Een galerij in de dikke muur, ter hoogte van de vensters, met zicht op de grote binnenruimte. Het licht van de vensters wordt via het triforium door de boogopeningen naar de kerkruimte doorgegeven. Het komt ook wel eens voor dat het triforium zelf ramen heeft om het licht van buiten door te geven.

Tufsteen     (Tobo volcánica)

Tufsteen, tuf of tuffiet is een sedimentair gesteente van vulkanisch materiaal; vulkanoklastisch gesteente. Het kan bestaan uit verschillende componenten, maar de matrix is vulkanische as. Hierin zijn gesteentefragmenten van de vulkaan of het omringende gesteente te vinden. Ook vulkanisch glas (obsidiaan) wordt in tuffiet aangetroffen.

Typologie     (Tipología lítica)

Indeling in grondvormen van gebouwen in soorten met gemeenschappelijke eigenschappen.

Ui     (Cúpula Bulbosa)

OLYMPUS DIGITAL CAMERAEen ui (ook wel: peer of appel) is een spits toelopende, bolvormige bekroning van een kerktoren.

Uivormige bekroningen van de torens van de Pokrovkathedraal in Moskou.

 

Vestibule     (Vestíbulo)
De vestibule (rood)
De vestibule (rood)

In de architectuur kan vestibule de volgende betekenissen hebben:

  • Een grote entree
  • Een grote entreehal of passage tussen de buitendeur en het binnenste van een gebouw
  • Een receptieruimte
  • Een entreeruimte

Algemeen kan een vestibule ook worden omschreven als een afgesloten ruimte tussen twee andere aangrenzende ruimtes.

 

 

 

Voorgevel of Gevel

De gevel van een gebouw is dat gedeelte van een gebouw dat, met uitzondering van het dak, van buitenaf zichtbaar is. De gevel aan de straatzijde heet de voorgevel, verder zijn er zijgevels en een achtergevel te onderscheiden. Meestal is een gevel van steen, glas of hout, en soms van andere materialen zoals metaal gemaakt. De verschillende delen van gevels van eenzelfde gebouw zijn niet altijd van hetzelfde materiaal gemaakt.

Watwerspuwer of Gargouille     (Gárgola)

Een waterspuwer of gargouille is een uitmonding van een goot, vergaarbak of waterbekken met het doel al dan niet overtollig water af te voeren.

Een spuwer is gewoonlijk een figuur uit steen gehouwen, die zich ter hoogte van de dakrand van gebouwen bevindt. Deze sculptuur- vaak een sinistere voorstelling van duivels, monsters of roofvogels – doet dienst als regenwaterafvoer, om te voorkomen dat het regenwater langs de gevel naar beneden stroomt. Waterspuwers worden al sinds de oudheid toegepast, maar worden vaak vooral geassocieerd met de gotiek.

Wenteltrap,  Engelse trap of spiltrap

Een wenteltrap, soms ook Engelse trap of (al dan niet foutief) spiltrap genoemd, is een soort trap die niet in een rechte lijn naar boven gaat, maar die rondom een centraal punt omhoog gaat. Een wenteltrap heeft daardoor de vorm van een kurkentrekker of helix. De draairichting van de trap is afhankelijk van de locatie en welke eisen er aan zijn gesteld, hierdoor zijn er zowel linksdraaiende als rechtsdraaiende wenteltrappen. Een enkele keer kan een wenteltrap ook van richting wijzigen, dit komt doorgaans door een verbouwing.

Een spiltrap is een specifieke vorm van een wenteltrap. Deze draait rondom een spil en steunt daar ook op. Een wenteltrap kan zelfdragend, of met de treden in een muur bevestigd zijn. Een spiraaltrap lijkt zeer sterk op een wenteltrap, maar die heeft op ten hoogste twee plekken een bevestiging: aan de vloer en aan de hoger gelegen verdieping.

Zadeldak     (Techo a dos vertientes)

Dak met twee dakschilden die aan de bovenzijde bij de nok samenkomen. Zadeldaken zijn de meest voorkomende daken.

Zuil     (Columna)

Een zuil is een kolom met een ronde doorsnede, meestal in  natuursteen uitgevoerd. Een zuil bestaat meestal uit drie elementen van boven naar beneden: kapiteel, schacht en basement. De Grieks-Dorische orde heeft geen basement.

Zwik    (Enjuta)
Roosvenster met in de hoeken de rijkelijk versierde zwikken.
Roosvenster met in de hoeken de rijkelijk versierde zwikken.

Zwik is een term uit de architectuur. Hiermee worden de hoekstukken bedoeld tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan. Bij een roosvenster kan de zwik bestaan uit rijkelijk versierd steenwerk, maar ook kunnen de zwikken gedeeltelijk bestaan uit versierd steenwerk en gebrandschilderd glas, zoals bij de Notre-Dame van Parijs.

Ook de hoekstukken boven een gotische spitsboog van een venster en de wimberg (frontaal) die deze omlijst, alsmede die tussen een arcade met zijn rechthoekige omlijsting worden een zwik genoemd.